Archief Buurtbewoners

Guido de Sturler, architect te Den Haag
26 mei 1919 – 23 maart 2004

Bij het overlijden van Guido de Sturler gedenkt de bewonersorganisatie Archipel/Willemspark met zeer veel waardering zijn jarenlange inzet, tot in de kleinste details, voor de architectuur van de wijk. November 2002 heeft Guido daarvoor de Ereprijs, een kleine zilveren onderscheiding in de vorm van het bloemetje Ereprijs, van de bewonersorganisatie ontvangen. Chronologisch overzicht van Guido’s betrokkenheid bij de wijk:
1986 Guido de Sturler wijst binnen de bewonersorganisatie A/W menigeen op het geheim van de Archipel en onthult welke elementen bij de huizen zorg dragen voor samenhang en welke voor variatie. Bij het 12,5 jarig bestaan van ’t Klokhuis leidt hij een rondwandeling in de wijk met uitleg over zijn visie. Velen inspireert hij tot beter kijken.
1987 De Studiegroep voor Milieuharmonie, waarvan De Sturler de grote inspirator is, heeft een analyse gemaakt van de kenmerkende eigenschappen van de architectuur in de Archipelbuurt en doet n.a.v de slotconclusie het college van B&W voorstellen voor regelgevende bepalingen. Burgemeester Havermans meldt dat deze bevindingen een rol kunnen spelen bij de nieuwbouw op de hoek Burgemeester Patijnlaan/Borneostraat of later bij de planvorming op het Burgemeester de Monchyplein.
1988/89 Guido de Sturler is wat betreft de architectuur betrokken bij het bouwteam van het eerste project van Bofill: het Borneocomplex. Er wordt op zijn advies door de bewonersorganisatie met succes krachtig geprotesteerd tegen het plan van wethouder Martini daar een verdieping extra op te zetten.
1991 Guido de Sturler wordt door de gemeente gevraagd als adviseur van de bewonersorganisatie te bemiddelen tussen Den Haag en Spanje om tot een aanvaardbaar plan voor het Burgemeester de Monchyplein te komen. De Crescent is zijn eerste en, zoals hij zelf zegt, zijn zwaarste klus.
1992 Guido de Sturler werkt mee aan het symposium over architectuur t.g.v. het 12,5 jarig bestaan van de bewonersorganisatie in de raadszaal aan de Javastraat met als thema ‘Het geheim van de Archipel’.
De Archipel-architectuur noemt hij intiem, harmonieus, met veel variatie in vorm en kleur. De straathoeken zijn rond, dat is heel bijzonder, dat komt bijna nergens voor! Wiskundig gezien zijn alle gevels varianten van één formule.

De werkzaamheden van Guido de Sturler richten zich ook op veel andere projecten in de wijk, zoals onderzoek naar de mogelijkheden voor het behoud van de panden van Bergen-Henegouwen (de oudste panden uit de Frederikstraat), het nieuwbouwplan achter de Koninginnegracht, de Archipelschool, bouwplannen in Paramaribostraat, Sumatrastraat, Zeestraat.

Guido de Sturler over Bofill
Op 9 november 2002 houdt Guido de Sturler in de Vredeskapel een voordracht over de Spaanse architect Bofill. Ricardo Bofill werd in 1939 in Barcelona geboren, waar hij al op 25-jarige leeftijd zijn eerste gebouw gerealiseerd zag. Hij stichtte al snel het atelier Taller de Arquitectura, waar architectuur en kunst nauw met elkaar verweven werden. Bofill neemt stijlen van oude kunst over en voegt daaraan nieuwe, moderne details toe.
Architect Guido de Sturler toont zich een enthousiast bewonderaar van het werk van Bofill. Hij laat bij zijn voordracht dia’s zien van de diverse gebouwen die Bofill in de wereld heeft neergezet, veel in zijn geboorteland, maar ook in Frankrijk en elders in Europa. Daarop is heel duidelijk te zien wat hij bedoelt, of zoals Sturler het uitdrukt ‘hij pakt het hele vocabulaire van vormen op en doet er wat eigentijds mee, hij speelt ermee, Bofill wil mensen opwinden, verbazen, uit het evenwicht brengen, het spannend houden’.

Guido de Sturler heeft, als architect en adviseur van de bewonersorganisatie A/W tijdens de ontwerpfase van de nieuwbouw op het Burgemeester de Monchyplein veel moeten praten met Bofill om hem duidelijk te maken dat Nederlanders anders denken dan Spanjaarden: niet zo monumentaal, niet zo overweldigend. Hij heeft Bofill ervan kunnen overtuigen dat hij het ‘rustiger’ moest maken. Er waren ook praktische beperkingen: in Nederland is bv. de maximum hoogte van een verdieping 2.90 m, wat consequenties heeft voor de buitenkant van een gebouw, terwijl Bofill graag hoog bouwt. Guido heeft er nauwkeurig op gelet dat het karakter van de nieuwe Bofill-wijk goed ‘matcht’ met de omgeving en dat was niet altijd eenvoudig. Het kostte bv. veel moeite om tot overeenstemming te komen over de toren, de Olympus. Er werd gepraat over de ‘helderheid van het wit’, over de schaduwwerking van de toren, die uiteindelijk ook lager en slanker is geworden dan Bofill had ontworpen. Daar waar de gebouwen naar de oude wijk zijn gericht, is er speciaal op gelet dat de gevels goed harmoniëren met de gevels van de oudere huizen. Voor de gebouwen aan het binnenterrein is dat wat minder belangrijk. Zowel Bofill als De Sturler staan op het standpunt dat ‘spelen in je eigen tuin’ voor iedereen acceptabel is. Guido is tevreden over het resultaat, hij heeft ‘zijn taak’ bij de nieuwbouw in de wijk tot een goed einde gebracht.

(met dank aan Eva Drijver in de A/W krant van dec. 2002)

 


Jaap Vegter  (1932-2003)

De bekendste striptekenaar kreeg een hartaanval na het bijwonen van de opening van de expositie Politiek in prent in het Haagse perscentrum Nieuwspoort.
Menig Archipelbuurtbewoner kwam Vegter tegen tijdens het winkelen in de Bankastraat en de Javastraat of tijdens een wandeling door de buurt. Of bijvoorbeeld op een zondagmiddag aan de tafel bij het raam in café Zeldenrust in de Bankastraat. Ook hebben we hem kunnen zien rijden in zijn open sportauto op een warme zomerdag, snel remmend voor het stoplicht van de Burgemeester Patijnlaan.
De Archipelbuurt zal hem missen. Niet alleen omdat we zijn markante verschijning niet meer zullen tegenkomen in onze buurt, maar ook omdat we niet meer zullen kunnen genieten van zijn bijdragen in de Haagsche Courant waarin hij elke week voor de zaterdageditie een spotprent over de Haagse politiek maakte.
Bij abonnees van het weekblad Vrij Nederland zal het plotselinge overlijden het hardste aankomen. Sinds de jaren zeventig tekende Vegter voor elk nummer een stripverhaal op de laatste pagina die meestal als eerste werd gelezen door de abonnees. Elke bijdrage was een bewijs van Vegters scherpe blik op maatschappelijke en politieke processen, op Nederlanders in al hun facetten. Zijn commentaar op de Nederlandse samenleving was bijtend en vol humor, en o zo waar. Hij was een tekenende cabarettier, een artiest die ons een spiegel voorhield, de ware nar aan het Hof van Nederland die de zwakke plekken van zijn medemensen bloot legde.
Ja, wat zullen we hem missen.

—————————————————————

Haagsche courant 15 januari:
De cartoonist werd omstreeks vijf uur onwel, kort nadat hij samen met zijn vriendin in perscentrum Nieuwspoort was aangekomen om de uitreiking van de jaarlijkse ‘Inktspotprijs’ (voor de beste spotprent) bij te wonen. De EHBO-dienst van de Tweede Kamer verleende eerste hulp, waarna Vegter naar het ziekenhuis werd vervoerd. Korte tijd later bezweek hij. In Nieuwspoort ging de uitreiking door. Wel voorzagen de aanwezige collega-tekenaars een daar tentoongestelde prent van Vegter van hun handtekening.

Jaap Vegter (Voorburg, 1932) maakte meer dan veertig jaar strips en tekeningen voor talrijke kranten en tijdschriften. Hij was van 1970 tot 1973 verbonden aan de Haagsche Courant en van 1988 tot heden. Verder tekende hij sinds 1977 elke week de strip op de achterkant van Vrij Nederland. Vegter werkte ook voor de Consumentengids.
In zijn werk leverde Vegter vlijmscherp en humoristisch commentaar op gebeurtenissen en personen uit het politieke, maatschappelijke en culturele leven. Zijn tekeningen blonken uit door de rake typering met minimale middelen. Ook Vegters teksten waren van hoge kwaliteit. Kees van Kooten noemde hem ooit ‘de beste schrijver van de Nederlandse tekenaars’.
In 2001 wijdde het Haags Historisch Museum een grote expositie aan het werk van Jaap Vegter.
HC-hoofdredacteur Peter ter Horst noemt Vegter ‘een onvervangbare recensent van de absurditeiten in de Haagse samenleving’. De tekeningen die Vegter op vrijdagavond inleverde bij de redactie van deze krant waren volgens Ter Horst een vlijmscherp commentaar op de gebeurtenissen van de week ervoor. “Hij ontzag niemand, noch de bestuurders, noch de burgers van Den Haag. Maar het werk toonde altijd zijn betrokkenheid bij de stad. In één tekening wist Vegter meer te zeggen dan wij redacteuren in honderden woorden”.

 


Loulou Kane-Kleykamp

Op 2 juni 2004 was Loulou Kane-Kleykamp één van de sprekers bij de onthulling van twee nieuwe BudVE-bordjes. Hierop staan teksten over de Koninklijke Kunstzaal Kleykamp en het bombardement op Villa Kleykamp in april 1944.

Zie verder www.budve.nl bij de Archipelbuurt, berichten 107 en 108.

Loulou Kane-Kleykamp, achterkleindochter van de oprichter
van de Haagse Kunstzaal Kleykamp, vertelt dat zij bezig is aan
een boek over de bewogen geschiedenis van deze kunstzaal.

Tegenover het Vredespaleis in Den Haag, op de plek waar zich nu de NIB-Capital bank bevindt, stond tot 1944 de witte villa waarin kunsthandel Kleykamp gevestigd was. Kunstzaal Kleykamp heeft een grote rol gespeeld bij de introductie van en de waardering voor Aziatische kunst in Nederland. Maar bovendien was in de opvallend smaakvolle zalen altijd een verrassend aanbod van werk van contemporaine kunstenaars te zien. Er vonden veilingen plaats, er waren optredens van sprekers, dansers, musici, er was een ’tearoom’. De firma Kleykamp, kortom, was jarenlang het middelpunt van cultureel Den Haag.
In 1941 werd het zogenaamde Witte Huis door de Duitsers gevorderd om er het register van persoonsbewijzen in onder te brengen. Om die reden werd het gebouw drie jaar later, op 11 april 1944 door de geallieerden gebombardeerd.
Kijk ook bij kunstzaalkleykamp.nl

 


In gesprek met: Lucienne van Amelsfort, artistiek leider van Theatergroep Drang.

Lucienne van Amelsfort studeerde af in theoretische en historische pedagogiek aan de Rijksuniversiteit van Leiden en als regisseur/dramadocente aan de Toneelacademie van Maastricht. Lucienne startte haar carrière als actrice in 1982 bij regisseur Johan Doesburg. In 1987 vertolkte zij de rol van Emma in de geruchtmakende voorstelling ‘Het Vuil, de Stad en de Dood’ van Rainer Werner Fassbinder. Vanaf 1990 speelde Lucienne in producties van Het Gebeuren en de Bastaard, Haagse productiehuizen die spraakmakende locatieprojecten brachten als ‘Het Spookhuis’, ‘Watersnood’, ‘Grieks’ en ‘Catastrope’.
Haar regiedebuut bij Drang was ‘De dame uit de provincie’ in 1996. Vanaf die tijd werd zij, samen met Ton Theo Smit, artistiek leider van Theatergroep Drang. Werken met jongeren is naast het theaterwerk haar grote liefde.

Op een mooie winterdag treffen wij elkaar op de thuisbasis van Theatergroep Drang, een voormalig schoolgebouw aan de Schelpkade. Gebouwd in 1876 als Lagere Burgerschool, later Vrije school en ondermeer onderdak biedend aan een radiozender en een sportschool. In dit gebouw is sinds 2002 de studio en het secretariaat van Drang gevestigd.
Er staat alleen een steiger in de studio: het decor voor de laatste voorstelling die die avond gespeeld wordt van ‘Bergtaal’; regie, tekst en bewerking: Rasoul Saghir. Lucienne: “Drang is er trots op dat onder haar vleugels de uit Irak afkomstige theatermaker Rasoul Saghir de gelegenheid krijgt om zijn afstudeerproductie als studiovoorstelling hier in huis te realiseren”. Hiermee maakt Drang haar intentie waar om door middel van theater een trait d’union te zijn tussen theatermakers en publiek van diverse culturele achtergronden.

Theatergroep Drang is eind 1995 opgericht met het doel professionele producties uit te brengen in de Haagse regio. Drang beweegt zich bewust in het margecircuit. Naast de grote gezelschappen heeft Den Haag behoefte aan het ongewone, het experiment. Drang werkt niet met vaste spelers maar met ervaren en minder ervaren, jonge en oudere acteurs die per productie worden uitgenodigd. Experimenteel, spraakmakend, poëtisch, bruggenbouwend en actueel zijn de vormen waar steeds naar gezocht wordt. Drang maakt theater op locatie en laat zich in haar voorstellingen inspireren door het specifieke karakter en achtergronden van steeds wisselende en altijd bijzondere gebouwen in de Haagse regio. Voorstellingen werden o.a. gespeeld op de 17e etage in het gebouw van Rijkswaterstaat, in de voormalige Raadzaal aan de Groenmarkt, in het voormalig ministerie van Buitenlandse Zaken op het Plein, in het ketelhuis van Theater Zwembad de Regentes, in het Magazijn van de voormalige vuilverbranding van energiebedrijf Eneco en in de voormalige Pauluskerk.

Er worden twee producties per theaterseizoen gerealiseerd voor zowel volwassenen als jeugd. In de eigen studio aan de Schelpkade wordt gerepeteerd door Drang alsmede collega-theatermakers, er worden workshops gegeven en bijeenkomsten gehouden. Ook op het educatieve vlak is Drang actief. Tot nu toe hebben ruim 4000 cursisten van o.a. de Mondriaan Onderwijsgroep deelgenomen aan de educatieve trajecten die Drang rond haar producties samenstelt: deelname aan discussies met acteurs/regisseurs, workshops en lezingen. Onder de vleugels van Drang vinden jaarlijks jongerenproducties plaats die worden gepresenteerd door en voor cursisten van de Mondriaan Onderwijsgroep. In samenwerking met Jeugdtheater Pierrot worden regelmatig producties gerealiseerd met jongeren uit voornamelijk het Laakkwartier. Ook geeft Drang adviezen op artistiek gebied en biedt plek aan stagiaires van theateropleidingen uit het hele land en de CMV-opleiding van de Haagse Hogeschool.

 


Interview met Eva Drijver

Mensen, muziek en edelsmeden Eva Drijver verhuisde ongeveer acht jaar geleden vanuit het Statenkwartier naar de Archipel.
Zij en haar echtgenoot Jaap hebben toen een niet vaak voorkomende wisseltruc uitgevoerd! Het echtpaar Drijver wilde kleiner gaan wonen – de kinderen waren al uit huis- en het echtpaar in de Archipel wilde juist groter, en de deal kwam tot stand…
Al snel raakte Eva betrokken bij de bewonersorganisatie van de Archipel/Willemsparkbuurt. De redactie van de wijkkrant zocht uitbreiding. Daar bleef het bepaald niet bij. Toen een aantal jaren geleden de gedachte opkwam om een wijkfeest te organiseren, zat ook Eva in de ‘feestcommissie’ en dat is tot op heden nog het geval.

“Als moeder van 4 kinderen met een deeltijdbaan heb ik altijd dringend behoefte gehad aan een stukje voor mijzelf”, legt Eva uit. Van haar hobby’s werden muziek en edelsmeden steeds belangrijker.
Ongeveer 14 jaar geleden zag Eva een advertentie staan voor een cursus edelsmid. Dat trok haar wel aan. Zij werd leerling van de Breston Academie Scheveningen van Carla Krutzen. “Een uit de hand gelopen hobby”, vertelt Eva. Nog steeds gaat zij wekelijks naar de Academie om daar te werken.
Met altijd groter plezier is zij langzaam maar zeker steeds professioneler gaan werken. Metaal, en met name zilver, nodigt haar uit tot het exploreren van nieuwe creatieve mogelijkheden.
Zij nam deel aan diverse gecombineerde exposities (o.a. Femmes d’Europe, Brussel; Kunstkring MATUVU, Den Haag). Voor de bewonersorganisatie Archipel/Willemspark heeft Eva enkele jaren geleden de zilveren Ereprijs ontworpen. Deze speld wordt uitgereikt aan bewoners, die zich sterk voor de wijk hebben ingezet. Tot haar grote verrassing werd op 9 december jl. de Ereprijs 2003 aan Eva toegekend (en kreeg zij haar eigen ontwerp opgespeld!).

En dan niet te vergeten de muziek, die als een “zilveren draad” door haar leven loopt.
Eva zingt (alt) in het Haags Toonkunstkoor. Dat doet zij al jaren, vroeger nog in Bussum, daarna ook in deze contreien en zij gaat nog steeds iedere week naar de repetities cq. uitvoeringen. En daar blijft het niet bij. Zij zingt ook mee in het projectkoor van het Haags Barok Gezelschap onder leiding van Jaap Hillen. Aangezien Eva daar in de Stuurgroep zit, wordt er naast het zingen ook nog wel het een en ander geregeld om te zorgen dat de geplande Bach-concerten en -cantates (in de Nieuwe Badkapel) goed verlopen.
Kortom, een bijzondere, vrolijke en bezige bij!

 


Accordeonist Arie van Es (75) maakt eerste CD

14/12/01 – Accordeonist en buurtbewoner Arie van Es heeft zijn eerste CD gemaakt. De CD is begin december gepresenteerd in café De Kleine Witte aan de Mallemolen. Op het schijfje zijn behalve de accordeon-muziek van Arie (bekend van het bankje aan de Bankastraat) herinneringen te horen die Arie ophaalt tijdens een wandeling door de wijk, waar hij sinds zijn eerste levensjaar woont. De eerste oplage van 100 CD’s was de eerste dag uitverkocht. Er zijn toen ijlings nieuwe exemplaren gebrand.
De CD kost 25 gulden en wordt verkocht bij café De Kleine Witte aan de Mallemolen. Meer informatie bij Arie’s impressario Bas van van Nooten, telefoon 06 – 54 31 33 34.

 


Ik probeer het karakter van een kind te ontdekken en vast te leggen’ In de serie ‘Buurtbewoners in beeld’
een portret van Ellen Grootes, fotografe.

Kinderen zijn mooi om op te oefenen. Ze zijn onbevangen, zich niet of nauwelijks bewust van de camera.
Als ik foto’s van kinderen maak, let ik op alles: op het licht, de achtergrond, de gelaatsuitdrukking, de compositie.Dat wil niet zeggen dat ik overal in slaag! Maar het is wel een reden waarom mijn foto’s anders zijn dan een familiekiekje. Als ik fotografeer probeer ik het karakter van een kind te ontdekken en vast te leggen. Dat is portretkunst. Mijn voorkeur gaat uit naar zwart-wit, dat is meer ‘blijvend’. Wat ik ook geweldig vind zijn huwelijken. Ik vind het heerlijk een hele dag op sjouw te zijn met een familie, er deel van uit te maken. Die emoties vind ik geweldig. Ellen Grootes heeft nog geen emailadres maar is wel telefonisch bereikbaar via 352 31 21 en 06 295 569 44.

 


Mijn leerlingen zijn mijn vrienden    De heer Piet Thörig

(van Muziekschool Thörig) geeft al tientallen jaren les in dePrinses Mariestraat; velen hebben van hem geleerd hoe ze op het instrument van hun keuze écht muziek konden maken.
In zijn gezellige wat ouderwetse leskamer praten we over wat hij allemaal beleefd heeft in zijn leven.

Muziek
Hoewel hij niet uit een muzikaal gezin kwam was hij als kind altijd met muziek bezig; een gekregen pijl-en-boog kon hem niet boeien, maar de ‘snaar’ die erop zat wél, want die maakte muziek! Op een goed moment kreeg hij van een tante een oude mandoline en mocht hij – tot zijn grote vreugde – van zijn moeder drie maanden op les. Zijn leraar wist zijn moeder over te halen om hem langer in het mandoline-orkest te laten spelen. Zó leer je het spelenderwijs, zeker als je gedurende ca 10 jaar gemiddeld 1 keer per maand in Hilversum voor de AVRO radio met het orkest mag spelen. Soms kreeg hij zijn treinkaartje vergoed +
f 5,00 !
Al doende leerde Piet Thörig ook andere instrumenten te bespelen: mondharmonica, gitaar, accordeon. Met het Hotcha Trio (bekend van o.a. de Bonte Dinsdagavondtrein; allemaal mondharmonica’s van verschillende grootten) heeft hij vele optredens beleefd. Uiteindelijk volgde hij een opleiding voor kerkorganist, ook was hij leerling van Piet van Egmond. Maar het vak van kerkorganist leverde in de praktijk te weinig salaris op voor de vele uren die hij moest spelen (elke dag ’s morgens en ’s avonds in de dienst plus de trouw- en rouwdiensten). Dus besloot hij te gaan lesgeven.

Les
In 1947 vond hij een lesruimte in de Prinses Mariestraat tegenover zijn huidige woning. Omdat daar geen woonruimte bij was en hij met zijn vrouw een gezin wilde stichten kwamen ze in 1952 aan de overkant op nr 7c terecht. Eerst nog met een bovenbuurman (die het hen niet gemakkelijk maakte), maar na diens overlijden konden ze het hele huis bewonen, met de leskamer beneden vóór aan de straat.
Hij geeft lessen in het bespelen van orgel, piano, mandoline, klassiek gitaar, elektronisch orgel, accordeon, keyboard. Bovendien is hij dirigent van een mandoline-orkest in Zoetermeer. De opkomst en neergang van het elektronisch orgel maakte hij helemaal mee. Door de komst van de televisie raakte hij opmerkelijk veel (bijna ¾!) van zijn leerlingen kwijt: die deden hun piano van de hand en kochten daar een TV-toestel voor (nu hoeven we zelf niet meer te spelen!). Gelukkig zijn ze langzamerhand weer teruggekomen, maar Piet Thörig heeft toch echt een dik jaar zijn lesruimte betimmerd met schrootjes en allerlei kluswerk gedaan om wat te doen te hebben!
In toenemende mate vraagt men tegenwoordig om les op de accordeon (een duur instrument); men heeft wel les, maar Piet Thörig doet absoluut geen reparaties.

Is het leuk werk, muziekles geven ? vraag ik.

Volmondig beantwoordt Piet Thörig mijn vraag met “ja”! De vorm van privéles betekent dat je al je aandacht aan die ene persoon kunt geven tijdens de les, en daaruit groeit vaak als vanzelf een vriendschappelijke band met de leerling. Het gebeurt ook wel eens dat er over andere meer persoonlijke dingen gesproken wordt, en deze leraar is iemand die goed luisteren kan. Tijdens de ziekte van zijn vrouw en speciaal na haar overlijden heeft hij dat heel sterk ervaren: zijn leerlingen hebben hem “het leven gered” zoals hij zegt: zonder hen had hij het niet gerooid! Velen van hen hebben – in een soort oppasschema – elk 3 uur per week gedurende lange tijd de zorg voor zijn zieke vrouw met hem gedeeld, hetgeen praktisch betekende dat hijzelf dan de handen vrij had om iets anders te kunnen doen. Het lesgeven en zijn mandoline-orkest gaf hem in de eerste tijd-alleen het houvast dat hij nodig had om overeind te blijven. Hoewel die tijd al weer lang voorbij is en hij zoals hij me zei “goed alleen kan zijn”, heeft hij het heel druk met lesgeven. Hij voelt zijn leerlingen als een vriendenkring om hem heen, en hoopt dat dat nog heel lang zo kan blijven.

E. D. (uit: A/W krant december 2003)

 


In gesprek met Janne van der Vegt
uitgever van de “Haagse deeltjes”.

Janne van der Vegt volgde de P.A.Tiele Academie in de Paramaribostraat en behaalde in 1975 haar diploma van bibliothecaris. Vanaf die tijd werkte zij in allerlei bibliotheken, in eerste instantie in de Schilderswijk en via allerlei andere vestigingen en functies werd zij in 1995 filiaalhoofd van de bieb op Valeriusstraat 87. Overigens de dichtsbijzijnde biblotheek voor de Archipel (red.). Een paar jaar geleden ontstond het initiatief om iets over de verschillende buurten van Den Haag te schrijven. Janne: “Het feit dat er in dat kleine bibliotheekje in de Valeriusstraat een schrijver en een kunstenaar werk(t)en, was de aanleiding om een vorm te zoeken waarin zij zich samen konden presenteren.”

Dit resulteerde in 2002 in het verschijnen van het eerste deel van een serie boekjes.
Twee Haagse kunstenaars bundelden hun krachten in de vertelling “Het Minangkabause huis”. Kees Ruys, schrijver van romans en reisverhalen, en Marcel van Eeden, die tekent naar beeldmateriaal uit de periode vóór 1965, doen in dit deel ieder op hun eigen manier verslag van een zoektocht door Het Bezuidenhout.

In 2003 kwam het tweede deel uit van de serie ‘Haagse Deeltjes’ met de titel “Een engel boven het Benoordenhout”. Dit verhaal is geschreven door Bert van den Assem en geïllustreerd door Diederik Gerlach. Beiden groeiden op in het Benoordenhout, zij het aan verschillende kanten van de Wassenaarseweg.

“Per wijk zoeken wij naar een schrijver die in combinatie met een kunstenaar of illustrator een persoonlijk verhaal vertelt tegen de achtergrond van die buurt. Het is de bedoeling over alle Haagse wijken een deeltje uit te geven. Zo ontstaat een mooi beeld van die verschillende wijken en van de schrijvers en kunstenaars die er opgroeiden of gewoond hebben. Men moet geen geschiedenisboekje verwachten, daar gaat het hier niet om.
Het zijn de ervaringen, emoties en herinneringen van schrijver en illustrator.”

Aan de voorbereidingen voor deeltjes over de Archipel en Scheveningen wordt op dit moment gewerkt.

Uitgever Haagse Deeltjes: Valerius Pers
Van Boetzelaerlaan 110/110a, Den Haag
T: 070-4049765, e-mail: mariannevandervegt@hotmail.com
Vormgever: Els Kort

De Deeltjes zijn verkrijgbaar bij de boekhandels
Couvee, Paagman, Van Seters, Van Stockum en Verwijs
(€ 10 en € 11,50)

 


Luisteren naar Cor den Dulk

‘Ik ben gewoon Cor!’ zegt Cor. ‘Mijn kinderen en kleinkinderen noemen me Cor. Alleen mijn achterkleinkinderen zeggen opa Corretje.’
Een hofje in de Curaçaostraat, twee kamers. Cor schenkt een kop koffie in en neemt zelf een kopje thee. Een schaal met koekjes en chocolaatjes staat klaar.
‘Ik snoep niet, ik eet geen suiker en ik drink geen koffie. En ik ben altijd vegetariër geweest. Maar ik rook wel, al sinds mijn twaalfde. En ik drink mijn whiskytje ’s avonds.’ Hij rookt sigaretten met een wit filter en een gouden randje. ‘Wist je dat Prins Bernard deze ook jarenlang heeft gerookt?’

Cor den Dulk is 85 jaar en woont 42 jaar in de Archipelbuurt. Maar lang daarvoor kwam hij al veel hier.
‘Als jongen van twaalf werkte ik na school en in de vakanties als ballenjongen bij De Bataaf. Ik verdiende daar 10 cent per middag mee. Daar kocht ik sigaretten voor. Mijn ome Jaap was groentenboer en ging met paard en wagen door de wijk. Hij stopte altijd voor café Archipel (nu Zeldenrust); daar at hij zijn boterham en dronk hij zijn borreltje. Ik hielp hem, maar ik mocht de kroeg niet in. Ik liep dan door de Bankastraat en stond op het muurtje bij nummer 1. Ze zeiden dat daar een barones woonde. Ik dacht: Als ik later rijk ben, ga ik daar wonen!

Mijn vrouw was actief in de Bond ter bestrijding van de Vivisectie. Zij begon in de Bankastraat 145 een opvangcentrum voor mensen die ziek waren. Dat huis had 16 kamers, er zat een iriscopist, een magnetiseur, allemaal alternatief en er werden lezingen gegeven. Maar er kwam natuurlijk geen geld binnen. Toen vroeg het bestuur of ik daar de organisatie wilde leiden.
Er was een vegetarisch restaurant uit de Molenstraat dat ik kon overnemen en dat hebben we hier naar toe gehaald. We waren open van 4 tot 9 uur ’s avonds en we hadden per avond 80 mensen binnen. Mijn vrouw gaf lezingen en cursussen. Het gezondheidscentrum liep als een trein, maar wij waren allebei nogal bazig, dus dat ging niet goed.

Toen is mijn vrouw naar Luttelgeest bij Emmeloord gegaan. De kinderen waren toen al groot. Ze begon daar een nieuw centrum: Stichting De Bron.
Ik heb daar toen een camping bij gemaakt. Met Kerst en Oud en Nieuw heb ik al mijn vrienden uitgenodigd en na afloop hadden al 30 mensen ingeschreven voor de zomervakantie. Binnen een jaar hadden we een grote camping. Ik zat drie dagen hier en drie dagen daar. Na 5 jaar zijn we uit elkaar gegaan.Het is uiteindelijk geklapt om een kop eikeltjeskoffie.
Tot 1985 heb ik dat restaurant gehad op de Bankahoogte. Ik had 10 tot 12 dienstweigeraars in volpension, die werkten bij de gemeente.

Ik leerde hier in de Bankastraat een vrouw kennen met twee zoontjes, van 10 en 12 jaar. Een interessant wijf: Pop Kila, dochter van de pianist en liedjesschrijver Eddy Kila. Zij was artistiek en heeft me veel van cultuur geleerd. Ze woonde in het Alexanderhofje. In de jaren zeventig kon je die hofjes kopen. Ik heb toen dat huisje weten te kopen voor 18.000 gulden. Ik heb daar Hannie van Eyck nog voor uit haar bed gebeld. We hebben er 15 jaar gewoond. Ik heb het helemaal verbouwd. De jongens groeiden op. Het werd te klein, toen hebben we nog een tijdje in de Beukstraat gewoond, maar dat was geen fijne buurt. We werden gek van de bovenburen, houten vloer en veel kinderen.
Toen kwam Bankastraat 1 te koop! 145.000 gulden. Ik heb ze meteen gebeld en een bod gedaan. Dezelfde avond heb ik het gekocht. Mijn droomhuis!

Ik heb tien jaar op nummer 1 gewoond.
Mijn vriendin had een overslaand hart, dat hart kon het op den duur niet meer opbrengen. Ze is in mijn armen gestorven. In 1989.
Ik heb nog een paar jaar alleen in dat huis gewoond; mijn kleinzoon heeft nog een tijdje boven gewoond. Ik ben niet graag alleen, overdag gaat wel maar de avonden wil ik niet alleen zijn.

Toen heb ik een advertentie gezet: 72-jarige weduwnaar. Zo leerde ik mijn huidige vriendin kennen. Cilia woont in Lisse, een paar dagen per week ben ik bij haar. Zowel in haar familie als in de mijne zijn we zo hartelijk samen ontvangen!
Zij heeft kinderen, ik heb kinderen.

In de buurt is ontzettend veel veranderd. Vroeger was er de cavaleriekazerne. Het terrein liep van de Borneostraat tot bijna aan de Joodse begraafplaats. Op het Alexanderveld werden van die parades gehouden. Ik heb daar nog het stadhuis zien komen. En het grote politiebureau; daar hebben ze prachtige villa’s voor afgebroken. Het stadhuis is alweer afgebroken, het was een lelijk ding. Nu staan er mooie flats.
Het was een militaire buurt hier. De Laan Copes was voor de officieren, de Atjehstraat voor de onderofficieren en in de Sumatrastraat en in de hofjes woonde het gewone volk, gewone soldaten. Vandaar al die kleine winkeltjes, die je hier vroeger had. Er zat een waterstoker in de Sumatrastraat en een melksalon op de hoek van de Bankastraat, bij de sigarenwinkel van Annie kon je ’s avonds om 10 uur nog een pakje sigaretten halen. Kunstschilder Josje van den Berg reed op een klein motorfietsje door de buurt. Twee bakkers van Hus, voor oud brood van de vorige dag en voor vers brood. Waar nu AH zit, zat toen Simon de Wit.

Het leuke van de buurt was ook de verscheidenheid van mensen. In café Archipel kwam iedereen. Aan de lange tafel zat alles door elkaar; de loodgieter ‘Joop Lood’, de directeur van het Promenadehotel, alle rangen en standen, ontzettend gezellig. Ik heb nog 13 jaar in dat café gewerkt, van ’85 tot ’97; op maandag en in de vakanties. We gingen ook vaak stappen met vrienden, en ’s avonds in café Banka, met de gordijnen dicht tot in de kleine uurtjes. Maar in kroegen kom ik niet meer. Ik kan er niet meer zo goed tegen. Ik neem ’s avonds thuis wel mijn whisky en ik ga nooit voor enen naar bed. Ik sta laat op, tien uur, of soms zelfs elf uur.
Nu woon ik hier in het hofje. Er wonen hier alleen oude mensen, dat vind ik wel jammer. Vaak gaan mensen zeuren als ze ouder worden. En je zit achteraf, je bent er niet meer bij, als er wat gebeurt’.

Aan de muur hangen foto’s. Drie kinderen, acht kleinkinderen, twaalf achterkleinkinderen. Een grote foto van de kinderwagenfabriek in de Kanaalstraat; de constructiewerkplaats op Scheveningen van Cor zijn vader en een foto van het gezin, vader en moeder, Cors twee broers, vier zussen en Cor zelf.
‘Ik was van jongs af aan helemaal blind van de buurt, die mooie grote huizen, de grote deuren met de gebeeldhouwde medaillons erboven in de Celebesstraat.
Mijn grote droom was het huis Bankastraat nr 1, maar toch, toen ik het verkocht, deed het me niets. Het was gewoon het idee, dat daar een barones had gewoond, dat was het’.

MJH, november 2004

 


Ingesprek met Peter de Ruiter

Hij probeert de laatste film van Theo van Gogh te downloaden als ik binnenkom. Net terug uit Shanghai vallen af en toe zijn ogen dicht terwijl hij praat. ‘Zei ik zojuist iets vreemds? Ik droomde ineens!’ zegt hij verbaasd.
Peter de Ruiter woont 20 jaar in de buurt. ‘Leuke buurt…’, schouderophalend… ‘Goeie sfeer,veel intellectuelen, mooie wijk en het is een dorp.’ Hij herinnert zich dat een jaar of vijf geleden een huis op de Bankahoogte werd gekocht door een projectontwikkelaar. Er woonden hulpbehoevenden in dat pand, je zag die mannetjes wel op het bankje zitten voor café Banka. Die kwamen bijna op straat te staan. Hij heeft met de buren toen een actiecomité gevormd en de kranten gebeld. De gemeente heeft toen een pand in de Amperèstraat gevonden en daar zijn ze naar toe verhuisd. De vrouw die voor die mensen zorgde als vrijwilligster heeft daar meteen een officiële aanstelling gekregen.
´Dat was een leuke goede actie.´

Schrijven en fotograferen leerde Peter tijdens zijn studie massacommunicatie en later bij een reclamebureau in Voorburg. Maar aanvankelijk werkte hij in de reclame en marketing, onder andere voor tv-programma´s bij de NCRV. Maar in 2002, tijdens een sabbatical, is het fotograferen en schrijven opnieuw teruggekomen.
Zijn relatie liep ten einde en hij zou op zoek gaan naar een ander huis toen het idee van een reis opkwam. Zijn buren hadden een vriendin in India waar hij een week kon blijven en acclimatiseren. Zijn ex-vriendin zorgde voor de post die nog bleef komen. Peter nam zijn laptop mee en een camera. Hij zette elke twee dagen een fotocolumn op het internet, voor zijn familie en vrienden thuis. ‘Daily India’ noemde hij het.
´Zo wisten ze waar ik was en wat ik zoal meemaakte. In India heb je van die telefoonwinkeltjes, als je het stekkertje voor de telefoon in je laptop stopt, ben je meteen online. Ik had een telefoonabonnement in India. Ik heb in heel Zuidoost-Azië rondgetrokken en ben 9 maanden weggebleven. Toen ik terugkwam, had ik een prachtige verzameling foto’s op CD samengesteld onder de titel ‘Faces of India’ en vanuit Calcutta heb ik een website gemaakt. Door die reis ben ik meer met fotografie gaan doen.
Een heel ander leven; je moet natuurlijk wel opdrachten verwerven, die bedenk ik dan. Ik maak een voorstel en ik zoek sponsors, maar verder heb je geen stress, je bepaalt zelf je deadlines. Ik begin op tijd aan een opdracht. Wel vraag je je af of het goed is wat je maakt, of het doorgaat, gaan ze betalen…
Via een email hoorde ik dat deze etage in de Bankastraat vrijkwam, dus toen ik terugkwam had ik meteen een huis. En weer in de buurt.´
Peter heeft een rubriek in het blad Reizen van de ANWB , de digitale reiziger, over alle digitale zaken zoals bellen en fotograferen in het buitenland.
Hij heeft het boek ´Digitaal fotograferen onderweg´, een fotoboek over
St. Maarten en ‘Fotograferen van kinderen Pixelkids’ inmiddels op zijn naam staan. Net terug uit Shanghai waar hij een camera heeft getest en daarover een verhalen schrijft.
Hij vermarkt zijn leerervaringen en dat levert mooie fotoboeken en informatieve boeken op over hoe maak je leuke foto´s, wat is de goede camera voor jou.
Binnenkort is er in Den Haag een China festival. Onze bibliotheek en die van Shanghai werken samen. Daar liggen weer kansen. Ik heb in Shanghai mooie exposities gezien, die de moeite waard zijn om hierheen te halen, of een filmfestival of een wedstrijd.
Zijn ogen vallen dicht. Hij schiet met een ruk overeind en kijkt verbaasd. ´Was ik lang weg? Zei ik iets vreemds. Gek, ik droomde ineens….´
De jetlag slaat toe.
´Over twee dagen vlieg ik weer naar Genève, daar woont mijn vriendin. Die heb ik leren kennen op mijn reis in India.´

MJH december 2004

 


In gesprek met Rupert van Heijningen

Het kantoor en tevens woonhuis van de van Heijningen’s staat aan de
Koninginnegracht en ziet uit op het viaduct. ‘Daar heeft mijn vader nog tegen geageerd, maar in die tijd leek het wel of de gemeente Den Haag helemaal niet gevoelig was voor de stem van bewoners. Uiteindelijk vond mijn vader een vertrouwelijk stuk waarin stond dat de fly-over bestemmingsplan technisch eigenlijk illegaal was gebouwd, met een aantekening van de wethouder erop ‘dat hier in alle toonaarden over gezwegen moest worden’. Maar toen lag hij er al. Als genoegdoening beloofde de gemeente toen in bijzondere mate rekening te houden met ons bij de bebouwing van het terrein hierachter, waar nu die villaatjes staan.’
In de spreekkamer aan de voorzijde vertelt Rupert over zijn jeugd in de Archipel/Willemsparkbuurt. Vader van Heijningen zit in de achterkamer achter een computer en loopt even binnen om een fax te versturen. Hij heeft het pand in 1956 heeft gekocht, toen het jaren had leeggestaan, omdat het ‘Sperrgebiet’ was in de oorlog en het hout eruit was gesloopt. Enkele jaren later heeft hij ook de panden ernaast kunnen verwerven. Rupert bezocht de katholieke lagere school in de Frederikstraat.
‘Er zaten hier veel middenstanders in die tijd en die kinderen zaten allemaal bij ons op school. Ook de kinderen uit het Hofje van de Mallemolen. Wij noemden hen ‘de heidenen’, want toen wij onze eerste communie deden, deden zij niet mee. Maar ik weet nog dat ik het erg bewonderenswaardig van ze vond dat ze Catweazle op de tv lieten schieten om naar ons te komen kijken. De nonnen uit de Oude Molstraat gaven ons les. Toen de school in de Paramaribostraat dichtging, kregen wij een broeder op school. Dat vond ik erg gewichtig.
Het terrein van de oude Frederikskazerne was een paradijs om te spelen en we gingen naar ‘Stiefbeen’; een man met een deukhoed en een gezicht dat zwart was van de smeerolie. Hij woonde in een krot aan het einde van de straat, in een oude VW bus. Hij deelde wel eens reclamedingetjes uit, maar we jouwden hem ook uit soms en dan kwam hij met gebalde vuist achter ons aan.
Op een dag liepen we op weg naar huis door de brandgang achter de Surinamestraat en daar werden we aan het einde opgewacht door jongens die ons vervolgens in elkaar sloegen. Een oudoom van mij vertelde, dat hij nog voor 1900 op dezelfde plaats ook in elkaar werd geslagen, wanneer hij met vriendjes die brandgang nam.

Achter de tuinen hier had je vroeger VW-garage ‘Wittebrug’ en kwekerij ‘Morgenster’. Heel ouderwets, met glazen kassen en een ketelhuis. In de Bankastraat, waar nu de kaasboer zit, hadden ze de bloemenwinkel. Via het dak van de garage konden wij op het kerkhof komen en daar speelden we dan. We hadden een club ‘De zwarte Hand’, en daar deden we dan ’s nachts seances. Nou ja, ’s nachts, het was dan in elk geval donker. Als de beheerder van het kerkhof ons hoorde, dan kwam hij ons wegjagen. Hij woonde boven het kantoor en hij was een vijand van de Zwarte Hand club.
Een keer hadden we een dode mol gevonden en die wilden we gaan begraven. Mijn vriendje Koos Ligtenberg uit de Delistraat wist wel een kistje bij zijn oma. We gingen bij zijn oma naar binnen, een hele deftige dame en terwijl wij haar aan de praat hielden, pakte hij het kistje. Daar hebben we de mol in gelegd en begraven op de Bankahoogte in het bos bij het paardenpad. Later was er ineens een hoop commotie omdat er een antieke pijpendoos was verdwenen van de schoorsteenmantel van de oude dame. We hebben nog geprobeerd om hem op te graven maar we konden hem niet meer vinden.

Het werd stiller op de Koninginnegracht. Steeds meer huizen werden kantoren, er woonde hier en daar nog een weduwe in zo’n huis.
‘De eerste maal toen ik meedeed aan acties tot behoud van onze buurt was in de jaren zeventig: het Vredespaleis dreigde te vertrekken. De gemeente Den Haag wilde het zo graag behouden dat het bereid was om de Scheveningse Bosjes op te offeren. Er zijn toen grote acties geweest. Overal affiches: Scheveningse Bos weg, nooit!
Uiteindelijk hebben ze nieuwbouw in de tuin van het Vredespaleis neergezet.

Toen kwam het viaduct hier tegenover, dat was niet tegen te houden, hoewel mijn vader dat wel geprobeerd heeft. Daarna ging kwekerij ‘Morgenster’ weg en garage ‘Wittebrug’. Er lag een bouwplan voor een flatblok van acht verdiepingen. De gemeente gaf gewoon een bouwvergunning! Mijn vader spande een Arobprocedure aan bij de Raad van State, die de plannen keer op keer afkeurde. Dit heeft zo een twintig jaar geduurd!
Een schadeclaim vanwege de bouwvergunning die al was verleend, werd afgewezen door de gemeente met het argument dat de bezwaren van de buurt zodanig waren, dat ze er niet op konden rekenen dat de bouw door zou gaan. Dat verzin je niet. Maar dat is belangrijke jurisprudentie.

Ik was intussen afgestudeerd en nam de strijd van mijn vader over. Samen met de bewonersorganisatie kwamen we met een alternatief plan van Irma den Hertog uit de Delistraat voor een eigentijds hofje, maar dat werd niet geaccepteerd.
De vz van de welstandscie keurde ineens een ander plan goed, maar toen bleek in het plan parkeergelegenheid voor het architectenbureau van de voorzitter aangeboden. Dat leek op belangenverstrengeling dus konden we het aanvechten.

Toen wilde Madurodam uitbreiden, richting Waterpartij, en het Hubertusviaduct veranderen. Dat is ook een jarenlange strijd geweest. Er is een overleggroep Samenwerkende Bewonersorganisaties Scheveningse Bosjes opgericht. We hebben alle mogelijke middelen toegepast: we kregen een brief in handen van de zus van Maduro uit Curaçao dat de naam Maduro niet gebruikt mocht worden voor het kappen van bomen. Rudi Fuchs deed een uitspraak over de esthetische kwestie, Koot en Bie kwamen in Madurodam met een persiflage op burgemeester Havermans. De bomenstichting verspreidde een affiche met een baby met gasmasker op. Dat liet de gemeente in een ochtend overal verwijderen, zo snel waren ze ineens. Maar toen is er een compromis gevonden.

En we hebben natuurlijk Bofill gehad. Het bejaardenhuis op de hoek van de Burg. Patijnlaan was een voorbeeld van hoe het niet moest, en van de gevolgen van een niet goed geïnformeerde architect. De gemeenteraad heeft een motie aangenomen dat er over de architectuur een overleggroep met de bewonersorganisatie moest worden opgericht. Dat was een bestuurlijk unicum! Ik deed als advocaat zaken zoals de wateronttrekking bij de Raad van State en als buurtbewoner zat ik in de overleggroep.
De school in de Atjehstraat konden we niet behouden, gewoon vanwege ambtelijke halsstarrigheid. Er was wel geld voor nieuwbouw maar niet voor ver-bouw’.

Rupert kan blijven vertellen over de zaken die in de wijk gespeeld hebben.
Ik woon nu in Amsterdam, in een mooi oud huis in de Nieuwmarktbuurt, maar ik blijf toch een Hagenaar. Ik heb hier in huis nog een kamer en ik heb hier mijn werk.

Rupert speelt naast zijn werk als advocaat toneel. Hij stond een keer in een stuk van Schnitzler bij het Nationale Toneel en in meerdere stukken geregisseerd door Jules Terlingen (regisseur bij de Appel). Zit dat in de familie? Ja, mijn vader schrijft gedichten, mijn zus is actrice en mijn broer heeft een galerie op het Noordeinde.
En je moeder? Mijn moeder heeft de tuin hierachter, die doet ze nog steeds zelf, ze is over de tachtig. Ze heeft er een prijs mee gewonnen een paar jaar geleden.
We lopen de tuin in die nu in winterslaap ligt.
‘Zie je die villaatjes die nu hierachter liggen, daar was vroeger die kwekerij en de VW-garage.’
Als we teruglopen zien we achter het raam in de serre moeder van Heijningen zitten, met een tijdschrift in de zon.

MJH, februari 2005

 


Marja van Starrenburg, een vrouw uit Archipel/Willemspark

Je ziet haar ’s morgens voor het werk boodschappen doen in de Bankastraat, of met een vriendin op het terras van café Zeldenrust met een koffie verkeerd, of op de fiets op weg naar haar werk op de Koninginnegracht. Als ze tenminste niet naar de stad is om nieuwe schoenen te kopen, of op reis in een ver land.
Geboren in de Kerkstraat, vlakbij de hoek van de Frederikstraat. ‘Op de hoek zat De Volharding, daar verkochten ze rijst en bonen los uit de schappen. Mijn tante, die aan de overkant woonde, kocht daar schuimpjes en die kreeg ik dan als ik bij tante was.’
In de oorlog viel een granaat uit een vliegtuig, een blindganger en die kwam in de gang tot ontploffing, waar Marja in de kinderwagen lag. Een scherf ging dwars door de kinderwagen, maar Marja bleef ongedeerd. Haar moeder raakte zwaargewond aan beide benen en lag maanden in het ziekenhuis. Marja logeerde aan de overkant bij de drie tantes, destijds nog ongetrouwde zussen van haar moeder.
Toen Marja drie was, werd haar moeder aangereden door een auto, die overigens toen nog zeldzaam waren in de straat en Marja kwam weer bij de tantes in huis.
‘Er waren altijd veel kinderen op straat. De kleuterschool was om de hoek in de Frederikstraat en de lagere school op de Schelpkade, waar we les kregen van de nonnen uit de Oude Molstraat.
Op het Alexanderveld kon je schaatsen op het slootje en aan de overkant in het stadhuis speelden we in de Pater Nosterlift; ze zeiden dat die bovenaan omkeerde.
Op een dag speelde ik bij de school in de Atjehstraat. Ik had mijn schoenen begraven in de zandbak en kon ze daarna niet meer terugvinden. Ik moest op blote voeten naar huis. Mijn vader is nog mee terug gegaan om de schoenen te zoeken. We hebben de hele zandbak doorzocht, maar mijn schoenen niet meer gevonden.’

Toen Marja 10 jaar was, verhuisde het gezin naar de Javastraat. Daar was nog twee richting verkeer en tram 7 reed er doorheen.
Na de MMS en de Vormingsklas aan de Dr. Kuipersstraat, bij weer andere nonnen, trok Marja als au pair naar Engeland en kwam terug met een Engelse man. Een paar jaar werkte ze bij de Australische ambassade, en ging toen met haar man in Sydney, Australië wonen.
Toen ze later met haar 8 maanden oude dochtertje alleen terugkeerde was intussen haar vader overleden. Marja vond een baan als maatschappelijk werkster; ze werkte in het vrouwengezondheidscentrum en als videogestalt therapeut. Ze trouwde en kreeg nog een dochter.

En toen, in 1983. kwam zij weer met haar beide dochters in de wijk terug. ‘Op het Alexanderveld, waar ik als kind had geschaatst op het slootje, stond inmiddels een grote flat en daar woon ik nu nog steeds.
In 1991, mijn dochters waren al groot, ben ik bij de Vereniging Wereldkinderen gaan werken. Een organisatie die bemiddelt bij adoptie van kinderen uit Azië. Ik help ook oudere kinderen die op zoek gaan naar hun ‘roots’. Als een jongere terug gaat naar bv. Korea om zijn moeder te zoeken, dan helpt Wereldkinderen die moeder te lokaliseren. Maar als je dan je moeder gevonden hebt, dan moet je ook weer weg. En dan heb je ineens twee moeders. Wat moet je daar dan weer mee. De verwarring is dan groot, bij alle partijen. Zo’n kind spreekt de taal daar niet. De een voelt zich er thuis, de ander niet.
Ik ben een paar keer mee geweest op een ‘rootsreis’, waarbij het contact wordt hersteld tussen ouders en kind. Ouders die hun kind terugzien, dat huilen, dat gaat door merg en been. Er zat laatst een meisje tegenover me, ze zei:’Ik zou alleen maar mijn moeder willen vasthouden!’
Dat verlangen naar die moeder! Je zou zo een ticket voor haar willen kopen.
Vorig jaar ben ik een reis naar Australië gaan maken om terug te zien waar ik in Sydney heb gewoond; mijn ‘roots’ van 30 jaar geleden. En ik heb er natuurlijk prachtige schoenen gekocht.
Grappig, ik ben steeds teruggekeerd naar mijn geboortegrond, deze wijk. Ik houd erg van reizen, maar wonen, thuis zijn, dat doe ik hier.’
MJH, maart 2005

 


Portret van Karen Kommer

‘Ik ken een vrouw’, vertelt Karen Kommer. ‘Ze komt uit Joegoslavië. Ze woonde hier sinds 1992 met haar partner, met wie ze hier ooit gekomen was. Ze heeft hier gestudeerd, haar kind grootgebracht. Haar man gaf haar vaak lingerie, voor performances die hij maakte. En op een dag komt ze erachter dat haar man een relatie heeft met een andere vrouw, in Joegoslavië. En aan die andere vrouw gaf hij ook lingerie.Hij verliet haar voor die andere vrouw en ging terug naar Joegoslavië.’
Karen Kommer is fotografe.
Ze vertelt over haar werk. ‘Werken in een vast dienstverband heb ik nooit gewild. Zou ik niet kunnen; toen ik op school zat vond ik het al vervelend om elke dag dezelfde weg te moeten nemen.’
‘Mijn vader had een filmbedrijf in de Riouwstraat, in het huis waar ik ben opgegroeid. Dus het lag wel voor de hand dat ik fotografie ging doen. Toch wilde ik heel lang niet hetzelfde doen als mijn vader. Ik wilde niet zijn bedrijf overnemen, dan zou ik mijn vrijheid kwijtraken. Ik wilde creatief werken en vrij zijn; mijn vader was een technisch vakman. Hij maakte vooral bedrijfsfilms, maar hij heeft wel ooit een mooie film gemaakt over Co Westerik.

Mensen vertellen mij vaak hun levensverhaal.Ik weet niet hoe dat komt.Waarom willen mensen hun verhaal aan je kwijt? Ik dacht, misschien omdat je verscholen bent achter een camera; denken ze dat je een luisterend oor bent; willen ze zich op de een of andere manier laten zien.
Ik fotografeerde veel schaduwen in die tijd, daar had ik iets mee. Er staan nu twee van die schaduwfoto’s van mij in het Polaroidboek dat net is uitgegeven bij Taschen.
Ik werkte al twaalf jaar als fotograaf, toen ik een keer op het koepeldak stond van het Neude Postkantoor in Utrecht om een foto te maken voor een opdracht. De portier was meegelopen om me op dat dak te laten. Terwijl ik daar met mijn camera stond, begon die man zijn levensverhaal tegen mij te vertellen. Toen ik weer beneden op straat stond, had ik dat verhaal in mijn hoofd zitten. Dat was teveel. Ik was het ineens zat en stopte met fotograferen, het sjouwen met lenzen.

Ik ben colimages gaan maken, collages met foto’s en beelden, voor glossy bladen. Dat is een hele tijd goedgegaan. Maar na weer 12 jaar droogde dat op. De markt veranderde, het was vlak na de Twin Towers. Alles zakte in. Ik moest toen weer opnieuw nadenken wat ik wilde. Ik kreeg zelf ook een dip.
Om weer rust te hebben en te kijken wat het volgende project zou worden heb ik mijn huis in de Balistraat verkocht en ben weer in mijn geboortehuis gaan wonen. Mijn ouders wonen hier boven en zo houd ik hen ook een beetje in de gaten.
De Riouwstraat is nu wel heel anders dan toen ik klein was, hoor. Vroeger zaten hier veel pensions en kleine ondernemers. Timmermannen, kunstenaars, veel acteurs en alles door elkaar; armen en beter gesitueerden. Nu wonen er veel beter gesitueerden en veel buitenlanders. Dat vind ik jammer, want die mengen niet zo met Nederlanders. Ze hebben kleine kinderen, die bij elkaar op de Engelse school zitten, en die mengen dus ook niet met andere kinderen in de buurt. Het is minder gemoedelijk en persoonlijk geworden.

Toen ik van een drie-etagehuis terugging naar een één-verdiepinghuis, heb ik veel opgeruimd. Losgelaten. Ik heb zelfs al mijn zwart-wit negatieven weggegooid. Dat is verleden, weg ermee.
En toen kwam ik die vrouw tegen. Uit Joegoslavië. Zij vroeg of ik haar wilde fotograferen met die lingerie, die ze van haar man had gekregen en daarna wilde ze het wegdoen.
Ik heb een serie foto’s gemaakt. En daarna heeft zij de lingerie en het verleden met haar man losgelaten. We hebben een expositie gemaakt van de foto’s; dat is haar afscheidsritueel. Nog eenmaal alles aantrekken, belichten, laten zien en daarna loslaten. Door die activiteit ontstond het idee voor mijn volgende project.
Het fototoestel gebruiken als instrument bij rouwverwerking en andere veranderingsprocessen; jezelf belichten. Ik wil mensen fotograferen voor hun huis. Mensen met hun huisdier. Of met iets dat zij willen loslaten, dat kan zelfs een eigenschap zijn.’

Karen exposeert van 2 mei tot 15 juni in ABC Treahut Gallery, Lange Poten 23, met ‘Shadows Within, memories of Alexandra Tisma.’

MJH, april 2005

 


Portret van Henk Kool

De jonge vrouw die mij had binnengelaten brengt koffie.
‘Heb jij koffie gevraagd?’ zegt Henk verbaasd. ‘Ik doe altijd een weddenschap met Malta of iemand koffie drinkt of thee en ik had jou op thee ingeschat.’ ‘Ik maak vandaag een uitzondering’ zeg ik. Henk staat op en roept om de deur: ‘Malta, ze drinkt normaal thee, dit is een uitzondering. Dus ik had het wel goed ingeschat!’
Het kantoor van het Nederlands Participatie Instituut, waar Henk Kool directeur is, kijkt uit over de Kneuterdijk. Aan de overkant wordt de laatste hand gelegd aan de langdurige renovatie van het voormalige ABN/Amrobank-gebouw. Op een steiger langs de gevel zitten schilders de tegelversiering boven een winkelraam in te kleuren. ‘Ik ben sowieso een Hagenaar’ zegt Henk als hij naar buiten kijkt. ‘Ik kan me niet voorstellen dat ik ergens anders zou wonen, of het moet in het buitenland zijn. Ik heb gewerkt in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, maar ik ging altijd ’s avonds terug naar Den Haag. En de Archipel vind ik een van de leukste wijken. He t is er nog mooi gemengd; niet qua kleur maar wel qua inkomen. Er wonen Zwitsers, Belgen, wel multicultureel maar anders dan de Schilderswijk. Duinoord heeft dat ook, met de Reinkenstraat. Maar kijk naar het Statenkwartier of het Benoordenhout, die wijken zijn veel eenzijdiger. Het is wonderlijk dat er vier groentenboeren zitten en geen visboer. Maar vis haal je ook net zo makkelijk in Scheveningen’.

Henk is geboren in het hofje achter de Frederikstraat, dat nu Christinalaantje heet. ‘Mijn vader was bakker; hij werkte bij Berkenbosch op de Dennenweg. ’s Nachts bakken en overdag een broodwijk. Ik ging naar de lagere school in de Paramaribostraat bij de broeders. Dat was een beroemde school, de zoon van Norbert Schmelzer zat daar en van Gerlach, dat later van Gend en Loos werd, en de zoontjes van Zwolsman, en van de directeur van het Grand Hotel in Scheveningen. Ik kwam daar wel eens thuis, om bij die jongen te spelen. Als je daar at, stond er een bediende met zo’n blad voor de deur, tot hij naar binnen mocht. Dat was een belevenis. Wij woonden in een hofjeshuisje, twee kamertjes met z’n vijven. Mijn broers en ik sliepen op de overloop. Toen er een nakomertje kwam en dat een zusje was, zijn we verhuisd naar de Kerkstraat.
Ik ken de buurt als mijn broekzak. Die brandgang achter de Surinamestraat, daar gingen wij ook door na school. Nu is hij afgesloten. Als kleine jongen liep ik het krantje voor de supermarkt A&O in de Frederikstraat. Ik deed dat overal in de bus en ik kwam daardoor ook binnen in sommige huizen. Bij de brug op de hoek van de Frederikstraat en de Mauritskade woonde op twee hoog een vrouw zonder benen. Ze kreeg oud brood van de bakker. Ze voerde eenden vanuit het raam. Ik ging wel eens helpen, gooiden we dat brood van twee hoog naar beneden en daar kwamen dan honderden eenden op af!

Vanuit het klooster ging ik vaak een potje eten brengen bij mevrouw Heerop in de Nieuwe Schoolstraat, een arme vrouw. Ik was namelijk misdienaar in het klooster. Een week op, een week af, elke ochtend om half zeven.De rector woonde daar in een appartement; die deed elke ochtend om half zeven de mis. Daarna kreeg je ontbijt van de zusters. En op zondag was ik misdienaar in de Parkstraat-kerk. Daar deed ik voornamelijk begrafenissen. Ik kon mijn gezicht goed in de plooi houden, denk ik. Bij bruiloften kreeg je bruidssuikers. De koster hield er wel eens een in en die kreeg ik dan. Op de begraafplaats mocht je het wierookvat vasthouden, of met het wijwatervat mee in de auto. Je liep dan in je jurk over die begraafplaats, dat was prachtig. En je hoefde niet naar school. De Paramariboschool sloot na mijn klas. Broeder Wendelinus, het hoofd vond dat iedereen naar het Aloysius College mocht, een mooie afsluiting van zijn carrière. Geen test, niets. Ik hield het daar drie maanden uit. Toen zat ik op de LTS.

Dat was een enorme overgang; eerst elke dag met een stropdas naar school en toen ineens in een blauwe overal. Ik leerde daar voor automonteur, schilder, houtbewerker, maar ik was nergens goed in. Ik brak mijn vinger met houtbewerken en toen had ik het wel gehad. Ik ben van school gegaan. Ik kwam bij de Staatsdrukkerij terecht als boekdrukker. Maar toen ik mijn gezelsdiploma had, ging de drukkerij op offset over. Stond ik weer met lege handen. Ik was nog partieel leerplichtig en dus moest ik naar een vormingscentrum in de Brandstraat. Via de stagiaires daar, die op de Sociale Academie zaten, kwam ik in actiegroepen terecht. Daar was ik goed in, grote mond. Zij hielpen me om naar de Sociale Academie te gaan. Zaten we daar Mutter Courage te vertalen uit het Duits, voor het toelatingsexamen. Want ik had geen middelbare schooldiploma. En dat was weer een grote overgang; van de prikklok op de Staatsdrukkerij ’s morgens om 8 uur naar de Sociale Academie, waar de eersten om half tien kwamen binnendruppelen. Halverwege de jaren zeventig, tijdens de democratisering.

Toen ik was afgestudeerd, wilde ik toch niet in het welzijnswerk blijven. Ik was actief in de Jongeren Actiegroep Schilderswijk, voor de stadsvernieuwing. Daar ontmoette ik mijn vriendin, die als rechten student in de wetswinkel werkte en ik leerde er journalisten kennen. Ik ben toen naar de School voor Journalistiek gegaan en zo kwam ik in de journalistiek terecht. Eerst een paar jaar bij Radio Stad Amsterdam en bij de Vara en toen zes jaar bij de NRC. Daar was een keer een staking vanwege loononderhandelingen. Ik ging de staking leiden; met z’n allen op de bureaus, de krant kwam drie dagen niet uit, maar mijn carrière kon ik toen natuurlijk wel op mijn buik schrijven. Ik verhuisde van de buitenland- naar de economieredactie. Ik mocht CAO-onderhandelingen gaan verslaan, ‘want daar had ik toch zoveel verstand van’!

Toen werd ik adjunct-hoofdredacteur bij Radio West. En ik deed programma’s voor de lokale televisie. Daar ben ik na 5 jaar weggegaan. Ik heb nog drie jaar een radioprogramma gehad, elke avond van 10 tot 11 met informatie over ontwikkelingen in de stad. Maar daar moest ik mee ophouden toen ik in de gemeenteraad ging zitten.

Een paar jaar geleden hebben we met een paar vrienden het pand gekocht waar vroeger de showroom was van de Witte Brug garage, aan de Koninginnegracht. Beneden was de showroom en boven waren er twee huizen. Met ons vieren hebben we dat gekocht. De splitsing was zo ingewikkeld, dat de ambtenaar van Bouw en Woningtoezicht er verdwaalde.
Vroeger was er naast de showroom een brandgang en een woning. Ik kwam daar als kind wel eens in de keuken en nu staat mijn fiets daar.

Toen ik klein was had je de fietsvierdaagse. De ‘Tour d’Archipel’, voor alle leeftijden. In de Bankastraat voor slagerij Matla was de start en de finish. De winkeliers stelden prijzen beschikbaar. Blokken kaas, pakken brinta. Vier avonden achter elkaar. De kinderen reden drie rondjes, de volwassenen 10 rondjes. De hele buurt liep uit. Ik was een jaar of 8-9; dat moet dus zo’n veertig jaar geleden zijn.

Van mijn 6e tot mijn 16e was ik bij de padvinderij, in de Balistraat. Als welpje, zeeverkenner tot aan de wilde vaart leerde je daar zeilen. Beneden zaten de senioren, op de eerste verdieping de welpen, op de 2e de zeeverkenners, op de derde de landverkenners. Op woensdagmiddagen en zaterdagen moet dat een gekkenhuis geweest zijn. In het buurpand woonden twee oude dametjes, die klaagden ook altijd; begrijpelijk. Als we gingen zeilen, vertrokken we om 8 uur ’s morgens met de fiets naar de Kaag. In Oude Ade lagen de vletten, die moesten we eerst vier kilometer door de sloten trekken. Dan een uurtje zeilen en dan weer terug. Over de dijk, door de koeienvlaaien. En dan weer terugfietsen, dan waren we bekaf. We waren een jaar of tien.

Ik wilde in de politiek, dat ging vanzelf. Het is jammer dat er eigenlijk weinig ideologie is op gemeenteraadsniveau, het draait natuurlijk allemaal om practische keuzes. De ideologie zit erin dat je wel geld hebt voor een parkeergarage en niet voor welzijnswerk. Maar er is nu wel een nota, raadsbreed :’Zo wij iets zijn, zijn wij Hagenaar’, over hoe wij met elkaar omgaan in de stad, over integratie. In onze stad valt de integratie nog mee als je dat vergelijkt met Amsterdam of Rotterdam. Daar is het veel moeizamer. Alleen hebben we hier een grote segregatie. Er zijn mensen uit de Archipel of het Statenkwartier die nooit in de Schilderswijk komen.

Malta steekt haar hoofd om de deur. ‘Henk, ik ga. Tot morgen.’
Henk kijkt op zijn horloge. ‘Ik ga je eruit gooien, ik moet zo de fractievergadering leiden.’ Zijn mobiel gaat. Radio West. Of hij morgenavond live in de uitzending wil reageren over de omstreden topsalarissen van de Nuon en Essent directeuren. ‘Daar had ik vragen over gesteld in de raad,’ zegt hij.
MJH, mei 2005

 


Portet van Elsa Vreken

Aan het eind van de middag stoppen auto’s en fietsen in de Madoerastraat en stappen kinderen met trico’s en balletpakjes aan naar binnen. Een uur later springen de kinderen de deur van de balletschool weer uit en kruipen op de achterbank of bij moeder achterop de fiets. Ze is klein en tenger en met kordate bewegingen veegt ze haar stoepje nadat de balletschool uit is gegaan.
Op haar 10e jaar stuurde haar moeder haar naar pianoles aan de Haagweg in Rijswijk. Op de 1e etage, bij een chagrijnige leraar. Tijdens de les hoorde Elsa beneden prachtige pianomuziek. Toen ze beneden naar binnen keek zag ze een balletstudio. Ze wist meteen dat ze dat wilde. Sindsdien heeft ballet haar leven beheerst.
De docente heette Catrien Tutein Nolthenius, danseres bij het Scapinoballet.
‘Catrien zag wat in mij en zij heeft mij erg geholpen’, vertelt Elsa Vreken..
‘Ik zie het ook bij die kinderen hier. Er zit nu een meisje, zo’n klein tenger ding, Cato. Ze zei: ‘Elsa, weet je wat ik wil worden?’
Ik zei: Oh ja! Dat weet ik al lang!”
Toen ik 15 was kreeg ik al schnabbels via Catrien; ik deed grondoefeningen met een dame in Wassenaar, als therapie na een auto ongeluk Ik gaf ook prive balletles bij mensen thuis, drie kindertjes in een kamer. Zo kon ik wat bijverdienen om bijvoorbeeld spitzen te kopen en de balletlessen te betalen. Ik verfde oude tricot hemden van mijn vader en naaide er balletpakjes van. En veel breien, he! Om je benen warm te houden.
Op zondagochtend had ik les van Hannie Bouwman, die was soliste bij de opera.
Onder leiding van Riet van Os ging ik met een groepje andere leerlingen naar Parijs, voor zomercursussen.

Mijn eerste gezelschap was Het Ballet der Lage landen met Masha ter Weemen. Na het dansen was er een douche, die stond aan en iedereen, mannen en vrouwen door elkaar, liepen daar dan onder. Daarna danste ik bij het Nederlands Ballet (later Nationaal Ballet) o.l.v. mevrouw Sonia Gaskel. Met het Nederlands Ballet hebben we gereisd; Parijs, Barcelona, Dusseldorf, Duisburg, en natuurlijk overal in Nederland. De studio zat in de Koningsstraat, en is later door het NDT overgenomen. Het Nationaal Ballet is naar Amsterdam gegaan.
Toen ik mijn eerste kind kreeg ben ik gestopt met dansen. Ik ben gaan lesgeven op een school in Roosendaal; dat heb ik 11 jaar gedaan.’

30 jaar geleden begon Elsa Vreken in de Madoerastraat haar balletschool. Ze startte met een groep dames, die ze van iemand kon overnemen.
‘Toen kreeg ik een groep zwemsters, dat was niet leuk, maar ik nam alles aan. Die hadden zulke stapels boterhammen bij zich. Als je zei ‘:spreidzit!’, begonnen ze te lachen. Daarna kwamen de kindertjes. En toen liep het vanzelf vol. Ik heb nu alle leeftijden. Kinderen vanaf 4 jaar, pubers, mannen en vrouwen; ik geef conditietraining op klassieke muziek.
Nieuwe kinderen stromen gewoon in.

Naast mijn twee opgroeiende zonen had ik ook nog vijf pleegkinderen in huis; kinderen die op het conservatorium gingen. Een deed muziek, de anderen dans. Ieder had een kamertje. Ze kwamen met 12 jaar en bleven tot de school af was, als ze het tenminste afmaakten. Door de week waren ze hier, zorgde ik voor eten en deed hun was. In het weekend gingen ze naar huis. Tussen de middag kookte ik eten en dat stond dan klaar als ze thuis kwamen. En ik ging verder met lesgeven. En s’avonds na het lesgeven is er altijd nog de administratie.
In die tijd had ik tien jaar lang pedagogenles van Job Sanders. Van hem heb ik veel geleerd.
Ik werk nu samen met Sharon Kleinegris, een ex-leerling. Sharon heeft haar eigen leerlingen en zij doet ook moderne dans.

Om het jaar hebben we hier een uitvoering.
En we hebben Dansend Den Haag in het openluchttheater Zuiderpark. Irma Veugen is ooit begonnen al die dansende kinderen bij elkaar te brengen, zodat ze ook anderen zien en samen kunnen dansen.
En het Holland Dance Festival, daar mogen ook alle scholen aan meedoen.Choreograaf Tom Stuart laat 1000 kinderen dansen in de stad. Je weet niet wat je ziet tijdens de repetitie.Eerst al die scholen apart en dan samen, en hij met een megafoon onder aan de trappen.
Zo leert iedereen elkaar kennen. En de docenten kijken naar elkaars werk
Dan is er nog het straatfeest. We hebben met een Delfts orkest opgetreden in de Regentes. Ik heb een stuk gemaakt op ‘Symphonie in C’ van Bizet en dat met een jeugdorkest opgevoerd.
De kostuums maak ik allemaal zelf; ik heb een hele voorraad intussen. Kijk! Van deze pakjes maak ik weer iets anders. Ik haal dat rood eraf en maak er een cognackleurig roesje langs. Kunnen we weer gebruiken voor het straatfeest, of voor het jubileum.’

Aan de muur en voor het raam hangen foto’s van optredens. Een rij ranke meisjes op spitsen, een vliegende danser; een krantenartikel over een danseres van het NDT, en ex-pleegkind, die door haar reuma heen danst.
Deze weken is het mei vakantie.
Een mooie gelegenheid om de dvd’s met oude voorstellingen nog eens door te kijken. ‘Dat is nostalgie, hoor! Ik zoek wat ik kan gebruiken voor het 30 jarig jubileum op 5 februari 2006. In de Regentes. En Tom Stuart levert daar ook weer zijn aandeel.
Ik ga vaak naar het theater. Dat hoort bij mijn werk; ik wil gewoon alles zien op het gebied van dans. Er gebeurt nu weer zo veel. En in het theater kom je al je collega’s en vrienden weer tegen. Een dansschool leiden is best eenzaam.’

Als we de gang inlopen wijst ze op een schilderij aan de muur in de vestibule. ‘Ik schilder ook. Ik heb jaren op schilderles gezeten. En dat schilderij dat hier staat, hing in de keuken en dat geef ik aan mijn oudste leerlinge. Zij is al 29 jaar bij mij op les. Ze had eens gezegd dat ze dat mooi vond en dat heb ik onthouden.’

Doet Elsa wel eens niets?
‘Ja, als we met vakantie gaan met de tent naar Frankrijk. Dan ga ik voor de tent zitten aan het water, met een boek en dan doe ik niets. Maar het duurt meestal wel een week voordat ik zover ben.’

Juni, MJH

 


Portret van Frits van Laar

’s Morgens om half zes kwettert het al. Nadat de vrije vogels de ochtend hebben aangekondigd, beginnen de vogels in de volières van Frits van Laar te kwebbelen. Vroeger had hij een haan, die de Bankastraat en omgeving wekte met een paar ferme kukeleku’s. ‘Die haan zit nu in Madestein’ zegt Frits.

Als ik aarzel in het halletje achter de voordeur, vanwege een enorme hond, zegt Frtis van Laar: ‘Ben je bang voor honden? Oh, ga jij dan maar voor. Ik loop wel achter je aan’. De zwarte hond is een Mastino. ‘Een tekkel kan je gevaarlijker maken dan een Mastino!’ zegt hij om mij op mijn gemak te stellen. De hond duwt af en toe zijn reuzen kop tegen mijn been omdat hij wil spelen.
In de kamer zitten drie papegaaien. ‘Ik heb hier wat witlof liggen, daar hou ik die groene mee rustig. Dat is Arie!’
Achter het huis zitten veel parkieten en andere prachtig gekleurde vogels in volières. Het kwettert allemaal.
In het koetshuis zitten grote papegaaien. Een grijze begint meteen flirterig te fluiten als wij binnenkomen.’Hallo!’ roept hij daarna. ‘Ja, hallo!’zegt Frits tegen hem.
‘Die hoor jij wel eens, die grijze. Als mijn zoon thuiskwam met de fiets, dan riep die papegaai zo hard ‘Willem’ dat bakker van Aalst het kon horen. Daarom staat ie nu in het koetshuis. Als mijn zoon komt, wordt ie helemaal gek. Hij houdt niet meer op met ‘Willem’ krijsen. Mijn zoon woont nu op zichzelf. Mijn kinderen hebben dat niet met dieren, maar mijn zoon kan alles met die grijze doen. En die groene, die binnen zit, is juist weer gek op mijn dochter.’ Dochter Debbie is intussen thuisgekomen. ‘Als ik op mezelf woon, neem ik geen dieren.’ zegt ze. ‘Zelfs geen goudvis!’

‘Verder zitten hier nog tweehonderd duiven!’ Frits wijst naar de bovenverdiepingen van het koetshuis.
Die duiven die jij af en toe rondjes ziet vliegen, dat zijn twee groepen, de ene is een groep van 16 en dat zijn de ouders van de groep van 32. Dat zijn de postduiven. Die gaan naar Frankrijk. Op vrijdag, van de lente tot de herfst, als de dagen lang genoeg zijn, gaan ze in een korf en dan brengen we ze weg, in een vrachtwagen. Als we naar Chantilly gaan al op donderdag en dan kunnen ze hun weg terug zoeken.
Ze komen niet altijd allemaal terug. Er wordt er wel eens een door een roofvogel gepakt. Sommigen vinden dat dan zielig, dat vind ik nou weer onzin. Als een roofvogel een postduif pakt, dan was dat een domme duif. Punt! En er vliegt er ook wel eens een tegen zo’n hoogspanningskabel. Nou dat is dan ook een domme duif. En dat is dan weer leuk voor de buizerd, want die kan zelf geen duiven vangen.’

Hij schenkt een glas appelsap voor mij in en neemt zelf een biertje.
‘Ik had als kind al een konijn in een kartonnen doos. Mijn vader was ook gek met dieren. Hij had zelf ook een pony. Na de zaak ging hij naar zijn pony. Dan spande hij hem in en dan reed ie met zijn kar door de Bankastraat. Had ie net een hartinfarct gehad; vroeg iemand: Hoe is het nou met je vader? Dan stoof ie weer voorbij met zijn pony’.

Vader van Laar begon op 8 februari ’58 zijn verfwinkel in de Bankastraat. Precies een maand voordat Frits werd geboren, in de Sumatrastraat. Toen het huisje te klein werd, huurde vader van Laar een etage aan de Oostduinlaan en later zijn ze naar Nootdorp verhuisd. ‘Dat waren zeven mooie jaren!’, zegt Frits. ‘We woonden aan de rand van Nootdorp, eigenlijk op het platteland. Ik lag op mijn buik langs de sloot en haalde zo de kikkers uit het water. In de vakanties gingen we naar Overijssel; mijn vader kwam uit Hardenberg, dat waren boeren. Ik had ook best boer willen zijn. Ik hou van buiten zijn en ik hou van dieren.
‘In 71 zijn we weer teruggekomen naar de Sumatrastraat. Mijn vader heeft die verfhandel aan de Bankastraat gehad totdat ik hem overnam. In ’89 hebben we eerst de verfwinkel uitgebreid. En in ’94 hebben we de sigarenwinkel erbij gekocht. Sindsdien verdeel ik mijn tijd over twee zaken. Dat heeft mijn vader niet meer meegemaakt. Hij zou zich dat niet kunnen voorstellen. Vroeger namen de mensen geen risico’s, ze waren veel eerder tevreden dan nu.’

‘Mijn dochter heeft wel een paard gehad. De hele familie reed paard. We hadden een paard en een pony in de manege staan in de Riouwstraat. Mijn dochter had toen ze klein was van opa een pony gekregen. Hij heeft het niet meer meegemaakt dat ze erop ging rijden, want toen ging hij dood.’ Een groot schilderij van een bruin paard hangt tegen de muur. ‘Dat was Debbie’s paard. Herman Douma heeft dat geschilderd. Die zat altijd in de Mastroquet, hij is een paar jaar geleden overleden. Ja, iedereen gaat dood. Of verhuizen. Soms heb je eindelijk kennisgemaakt met iemand, gaat ie ineens verhuizen, naar het oosten, of naar Frankrijk.

We zijn zogezegd ‘uit elkaar’. Maar mijn dochter woont hier en als het meezit, dan eten we ’s avonds samen. Gisteren niet, ik weet niet meer waarom niet, maar vandaag wel. En morgen misschien ook.’ Debbie pakt nog een biertje uit de ijskast voor haar vader. ‘Vrijdag ben ik vrij!’zegt ze. ‘Oh, dat komt mooi uit, dan kan jij in de zaak werken’ zegt Frits. ‘Het wordt toch lelijk weer.’ ‘Nee, vrijdag ben ik vrij!’ zegt Debbie.
‘Ik kom op elke dag een dag tekort. Twee zaken en dan die beesten. Binnenkort ga ik naar zo’n cursus waar ze je ‘nee’ leren zeggen. Want ik wil altijd te aardig zijn voor iedereen. Maar ja, van werken ga je niet dood, hoor. Toen ik 17 was begon ik met werken. Er zaten in de Sumatrastraat vier groentenboeren, twee slagers en twee bakkers. Ik reed bestellingen voor Martin van Rijn, de groentenboer in de Sumatrastraat. Ik begon om zes uur en ik werkte tot acht uur s avonds.
De groente die niet meer verkocht kon worden, ging naar de paarden en de geiten. Die had ik op een stukje braakliggend terrein aan de Kerkhoflaan staan. Hierachter stonden vroeger ook paarden, van de melkfabriek, de Sierkan geloof ik. Van het koetshuis kon je vroeger achterom naar de Atjehstraat. En in het hofje naast de verfwinkel woonden de militairen die op de paarden reden, van de Alexanderkazerne.

Gisteravond zat ik tot half elf bij die vogels. Die stekker is al weken niet in de televisie geweest, maar ik mis hem niet hoor. Geef mij die vogels maar. Dat kwettert en dat maakt ruzie om niks. In beesten zit geen gemenigheid, zoals in mensen. Uiteindelijk moeten mensen je toch hebben en dat hebben beesten niet. Die vogels zitten wel in aparte hokken. Zo kunnen ze goed met elkaar, maar ze kunnen niet bij elkaar. Die kleintjes wel, maar die grote niet. Een keer was er een in geslaagd om in dat andere hok te komen. Ik hoorde een gekrijs! Had ie zo die ander zijn oog eruit getrokken! Krijsen!! Ja, dat begrijp ik, dat ie krijste.

Mijn ouders zijn na mijn vaders pensioen teruggegaan naar het platteland. Toen mijn vader was overleden heeft mijn moeder eerst twee jaar gerouwd, toen heb ik haar hierheen gehaald. Ze had een mooie flat maar ze raakte in de war, toen ze viel en haar heup brak. Ik vroeg een keer: Waar is je steelpannetje? Toen zei ze: ‘Hi, hi! Dat is nu een pannetje!’ Dat ze hi, hi zei, dat was natuurlijk wel weer leuk. Maar ik ging in die tijd de ene dag bij mijn moeder koken en de andere dag weer thuis. Dat was ook niks. Je moet oude mensen niet verplaatsen, maar elk weekend naar Overijssel met het hele gezin, dat vonden we ook teveel.

Laatst was die witte papegaai weggevlogen. Toen ben ik nog in jullie tuin geweest om te zoeken. Maar toen belde iemand dat ie op het schoolplein zat. Hij zegt: Moet ik hem vangen? Ik zeg: Ja, vang hem maar. Hij zegt: En als hij bijt? Ik zeg: Als hij bijt moet je hem toch vangen.Maar hij bijt niet! Die heeft hem toen teruggebracht.’

Ik stap maar weer eens op. Frits en Debbie moeten nog eten.
‘Kom maar eens terug met je man. Doen we een wijntje!’zegt ie als ik de deur uitga.

MJH, juli 2005

Frits van Laar is in april 2010 overleden.

 


Portret van Lizeth van Oyen, tweede generatie

De vlag is al binnengehaald. De laatste klant drinkt een glaasje witte wijn mee en dan gaat de winkel echt dicht.
Lizeth is blond, slank en als ze loopt sloffen haar hakken een beetje over de houten vloer.
‘Typisch indisch!’zegt Babs.

‘Mijn allerliefste vriendinnetje woonde boven de apotheek in de Bankastraat, 25 jaar geleden. Ik had een vriendje boven de Tapperij in de Atjehstraat. Ik woonde daar meer dan op mijn eigen kamer. Grappig, dat mijn vader in Atjeh geboren is. En dan start je dus later zelf een winkel op de hoek van de Atjehstraat en de Bankastraat. Er was een fietsklup ‘De vrolijke versnelling’, ruim 20 jaar geleden. Daar zaten allemaal mensen in, die hier in de buurt wonen. Door mijn vriend zat ik er bij.We fietsten naar Suawoude in Friesland, naar de ouders van Niels Meiske (tweedehands winkel). En via die klup ben ik uiteindelijk, jaren later, met Babs deze winkel begonnen.
Ik had als kind zo’n heimwee naar Indonesië, dat ik daarom misschien altijd vriendjes en vriendinnetjes had die daar vandaan kwamen.
Toen we pas in Nederland woonden moesten we altijd om 7 uur naar bed. Ik droomde dan dat mijn moeder me naar de trein bracht en dan zag ik onderweg de zee, de vissen, de bergen en dan kwam ik in Indonesië, waar mijn tante me opwachtte. Mijn tante had een weeshuis met dove en blinde kinderen en ze leidde blinde geleidehonden op. Ik zocht de hond, Donar, op en we gingen zwemmen.

Ik was net 7, toen we binnen drie dagen alles moesten achterlaten. Vriendjes, de hond, speelgoed, thuis. We gingen met de boot naar Singapore en dan met het vliegtuig naar Nederland. Er waren veel tussenstops: Karachi, Basra, Cairo, Athene, Amsterdam. Overal hing je dan een uur of twee op dat vliegveld. In Karachi kregen we tomatensoep; dat vond ik zo’n vreemde smaak, ik lust het nog steeds niet. Op 3 januari 1958 kwamen we op Schiphol aan. Hier kregen we wollen kleren van het Rode Kruis. Ik stapte op de trap van het vliegtuig. Beneden stonden ooms en tantes te zwaaien. Ik pakte de leuning en mijn hand bleef meteen vastzitten, zo koud was het.

Toen mijn moeder werd geboren, was haar vader al overleden aan de Spaanse griep. Haar moeder hertrouwde met een aardappelboer, wiens vrouw ook aan de Spaanse griep was overleden. Toen ze 21 was, trouwde mijn moeder met de handschoen met haar man, die al eerder naar Batavia was vertrokken. In 1940 ging ze hem achterna; samen trokken ze naar Java en Sumatra. Toen brak de oorlog uit en zij kwam in een vrouwenkamp terecht. Daar werd haar eerste kindje, Henk, geboren. Na de oorlog hoorde ze dat haar man was omgekomen. Ze hertrouwde met de broer van haar vriendinnen uit het kamp, mijn vader.’

Lizeth is geboren in Kisaran aan de spoorlijn, op Sumatra.
‘Mijn vader bouwde de Deli spoorweg, van oost naar west. Wij verhuisden mee. In 7 jaar zijn we drie keer verhuisd, de laatste woonplaats was Medan.
Pappie ging met de lorrie naar zijn werk, over de rails, enkel spoor. Er ging altijd een man mee om te helpen dat ding van de rails te tillen als er een trein aankwam. In de weekenden gingen we naar het Tobameer, om af te koelen. Over dat meer zijn legendes in de Bataklanden.
Toen ik drie was gingen we voor een half jaar met verlof naar Nederland. Het was augustus ’54. Toen wij teruggingen lieten we mijn broertje achter. Hij ging in een pleeggezin met een jongen van zijn leeftijd om hier naar het gymnasium te gaan. Er is nog een foto dat we hem uitzwaaien vanaf de boot. Toen wij op de boot zaten, is mijn broertje dodelijk verongelukt op de Loosduinseweg. Wij hoorden het pas toen we zes weken later in Indonesië aankwamen.

In Indonesië gingen we vaak logeren bij onze grootouders, paatje en maatje, in het grote huis. Ik kroop steeds door een opening in de haag naar de kampong waar mijn vriendjes woonden. Als ik dan terugkwam kreeg ik van mijn opa met de ‘sapolidi’ een soort riet om bedden mee te schuieren.(roede), want ik mocht van hem niet spelen met indo kinderen. In het grote huis werd gedineerd. Op zondag werd er hollands gegeten; dat werd door ‘kokkie’ klaargemaakt. Maar ’s avonds aten mijn zusje en ik stiekem bij een olielampje (perlita) rijst met zoute visjes en sambal; lekker met je handen, uit een pisangblad, bij baboe Amina.

In december ’57 moesten alle Nederlanders uit Indonesië weg. Pappie bleef nog een half jaar om zijn werk af te maken. Halsoverkop moesten vrouwen en kinderen vertrekken, toen Nederland weigerde om Nieuw Guinea aan Soekarno over te dragen. Je mocht niets meenemen. Geld werd in die periode doormidden geknipt; de helft was voor de Indonesische regering en de andere helft was voor jou. Wij kwamen in Rijswijk terecht, bij Park Te Werve, dat toen nog braakliggend terrein was. Nu woon ik daar weer. We kregen schaatsen en speelden op het ijs. En ’s nachts droomde ik dat ik met de trein ging, over de bergen, over water…. Mijn vader vertelde later dat hij dat ook had gedaan. In het kamp: ’s nachts gaan waar je wilde.

Een paar jaar geleden overleed mijn vader. Toen was mijn moeder haar maatje kwijt. Ze werd depressief en kwam in therapie. Mijn zusjes en ik werden uitgenodigd, wij vertelden ons verhaal. Toen leerden we wat ’tweede generatie’ betekent. Je begrijpt ineens: dat is waarom ik zo ben, waarom ik geen kinderen heb! Wij zijn erg beschermd opgegroeid. De angsten van je ouders, hun kampervaringen… door je ouders te ontzien kom je niet aan jezelf toe. Je eigen identiteit is ondergeschikt aan de problemen van je ouders.

En nu in de winkel ontmoet ik steeds weer mensen die in Indonesië geweest zijn. Ik ging laatst een broek brengen bij een vrouw, die hem hier had gekocht en laten vermaken. Toen ze de deur open-deed, zag ik meteen in de hal die kist staan. Oh, een kamferkist!zei ik. Die heeft mijn moeder ook! Ja, van de Chinees, in Indonesië, zei die vrouw.
Zij is ook 86, net als mijn moeder, en zij is ook in het kamp geweest. En binnenkort gaan mijn moeder en zij elkaar ontmoeten.’

MJH, augustus ’05

 


Portret van Ed Valk

Op de hoek nemen ze afscheid en gaan ze ieder naar hun eigen huis. Of ze ontmoeten elkaar op de hoek, bij de fotowinkel en lopen samen verder.
Ed Valk, tekenaar en zijn vriendin Risette. ‘Kom om half elf morgen, dan drinken Risette en ik koffie’ zegt hij. Risette woont in de volgende straat. Hun relatie bestaat ruim veertig jaar. ‘Onze tuinen grenzen niet aan elkaar, we moeten helaas omlopen’ zeggen ze met een glimlach.

34 Jaar geleden kocht Ed Valk het huis in de Madoerastraat. ‘Daarvoor had ik altijd in de binnenstad gewoond, op een zolder, of in een oud huis waar je ’s nachts in de sneeuw naar buiten moest voor de wc.’
‘Deze wijk heeft erg mooie huizen, timmermansarchitectuur noemen ze dat. Toen ik hier kwam, woonden er nog veel Indische mensen hier. Hun huizen waren ook Indisch ingericht, met palmen en rotan tafeltjes; het rook er zelfs Indisch. De laatste vrouw is naar Het Schakelpunt verhuisd, ze was bibliothecaresse, ik zie haar nog wel lopen, maar ze ziet slecht en is wat in zichzelf gekeerd’.

‘Hier heb ik mijn atelier om in stilte te werken. In het begin klopten er kinderen tegen de ramen en riepen: ‘Daar staat ie!’ Toen heb ik de vuurdoorn geplant en de gordijnen voor de ramen laten maken. Ik teken en dat vergt een grote concentratie.
Kunst is de oplossing van problemen. Er zijn regels, net als bij sport. Tekenen is werken met een lijn, een spitse punt; een schilder werkt met vlekken. Ik richt me helemaal op vorm. Vorm is niet alleen een middel, vorm is de uitdrukking van wat ik zeggen wil.’
Aan de muur hangen naakten; jonge vrouwen, oude vrouwen, een man die sterft.
Ed Valk laat een pen zien die hij ooit van een Franse boer kreeg. De kroon loopt in een bocht zodat je eroverheen kunt kijken en zien wat je tekent.
‘Om vrij te zijn in de beweging moet je staan als je tekent. Tegenwoordig zit ik, en daarom maak ik nu kleinere tekeningen.’
Er hangt een serie tekeningen van een boom die zich om een paal slingert.
Een levende boom staat in bolle vormen blozend te ademen naast een dode naaldboom, die strak staat als het dodenmasker dat ernaast hangt. Het gezicht van een dode vriend van onderaf gezien in een driehoek van strakgetrokken huid en stille oogkassen. ‘Ik woonde hier pas, toen in de Celebesstraat hierachter een huis werd verbouwd. De hele dag harde radio en timmerlui die meezongen onder het boren en timmeren. Ik stapte er naar toe om mijn beklag te doen. De eigenaar, Peter Berger, vroeg: ‘Wat doe je? Tekenen?’ Hij was kunstcriticus; we zijn de beste vrienden geworden. Hij is helaas overleden.’

Ergens bij de trap hangt een kleine lino van het ‘meisje en de dood’. Een meisje, een kind nog, zit op de grond met de dood. Alsof ze samen spelen, vriendjes zijn, bij elkaar horen. ‘Ik had ooit een vriendin, die stierf aan hersenvliesontsteking. Ik was er niet bij. Toen ik haar zag, lag ze opgebaard en begon ze al te ontbinden. In haar gezicht ontstonden bloeduitstortingen en er kwamen blaasjes op haar lippen, dat heeft me destijds erg aangegrepen. Ze was 19 jaar.’
De dood die zijn schaduw vooruitwerpt in het leven. Dat komt in veel tekeningen terug. Hij tekent de vergankelijkheid met zoveel compassie dat je eerst medelijden krijgt met de onherroepelijk aftakelende mens, en daarna de schoonheid van het leven uit de materie los ziet komen.

In het atelier heerst een ordelijke rust. Alles heeft zijn plek.
‘Ik probeer ordelijk te zijn. Ik vind dat je dat moet: je leven vormgeven, ordenen, helder maken. En het is een goede manier om verder te komen met je werk; alles moet precies bij elkaar passen, op de goede hoogte staan, het is eigenlijk nooit af. Lijnen moeten kloppen met elkaar. Maar er is een grotere orde waarbinnen het ook moet kloppen. Ik geloof niet in God, maar er is wel iets. Het systeem, noemt Leo Vroman het. Het onbarmhartig systeem, zou ik het noemen. Je ziet het in de natuur. Er is schoonheid, maar zondag zag ik op tv hoe een paar leeuwen twee buffels begonnen op te eten, die vastzaten in de modder en niet weg konden. Dat is ook natuur. Onbarmhartig’.

Toen ik 15 was ben ik thuis weggelopen en bij een boer gaan werken. Ik had honger en daar kreeg ik voldoende te eten. Die onbarmhartigheid, die zag je ook op de boerderij. Er waren twee paarden. De een heette Vosje. Het andere paard hield altijd net even in, liep mee voor de kar, maar hij liet Vosje het zware werk doen. Er waren twee stieren; ze stonden een eind van elkaar vast aan een pin in de grond. Op een keer hadden ze zich losgerukt en gingen elkaar te lijf. .
Ook de kippen waren onbarmhartig. Soms kwam er bij het eieren leggen een stukje darm mee naar buiten. Dan moest je zo’n kip helpen; als de andere kippen het in de gaten kregen, pikten ze daarin tot de kip dood bloedde. En als de varkens een kip te pakken kregen, vraten ze hem ook op.
Bij de boer thuis ging het net zo. Hij had zes zonen en die duwden elkaar allemaal weg. De ‘oude’ morste een keer benzine over een hete motor. De motor vloog in brand en de boer zelf ook. De zonen stonden erbij en lachten hem alleen maar uit. De boer sprong in de beerput en toen lachten ze nog harder, omdat ie in de stront stond. Thuis bij de boerin aan tafel zat iedereen met zijn vork klaar en als zij de pan met vlees op tafel zette, dook iedereen met zijn vork in de pan en dan was ie meteen leeg. Als je dat niet deed, had je niets.
Maar er was ook kameraadschap. Het binnenhalen van de oogst bijvoorbeeld. Je werkte dan allemaal samen om die oogst binnen te krijgen voordat de eerste druppels vielen. En dan tussen de middag even slapen in het hooi. Je lag op dat hooi en je voelde je zo diep wegzakken tot je voor je gevoel helemaal onderin de bodem voelde. En na een uur kwam de boerin en riep heel hard: Eduaaaard! En dan veerde je terug, tot je weer bovenop dat hooi lag. Slaapdronken sjokte je over het veld. Dat vond ik leven, toen. Voor mij was dat vrijheid.

Later op de academie werd het anders. De leraren eisten dat je op tijd kwam. Dat was wennen, maar naarmate het meer ging boeien werd je introverter. Het oplossen van problemen begon zich op het papier voor je te af te spelen en daar ging je je op concentreren. Totdat je avonturen begint te beleven op een vel papier.
Later ben ik zelf als leraar op de academie in Rotterdam gaan werken en toen eiste ik ook die discipline van de studenten.
Ik ben commissaris van de tekenzolder bij Pulchri. Dat betekent zoeken en selecteren van modellen. Over belichting steggelen.
Vroeger was model een beroep. Ik ken nog maar een man die dat doet. Hij verdiept zich er echt in, in houding en belichting. Hij stelt zelf ook houdingen voor. Maar veel modellen tegenwoordig zeggen al snel, als je een houding vraagt : Ja zeg, ik ben geen acrobaat!
Het kost veel tijd voordat je ‘in zo’n model’ bent. En soms bellen ze dan ineens op dat ze niet meer komen. Dat is heel vervelend

Op mijn 73ste ben ik hier van de trap gevallen. We hadden een feestje gehad en de volgende ochtend liep ik met een blad vol glazen en ook nog wat kleding over mijn arm naar beneden. Boven aan de trap stond ik met mijn voet op de zool van mijn andere pantoffel en ik stortte voorover. Wat je allemaal kan denken in de 22 treden die je naar beneden aflegt! Ik wilde me vastgrijpen aan de leuning, maar dat kon niet vanwege die kleding, die over mijn arm hing. Toen ben ik half gedraaid en ondersteboven op mijn schouders terechtgekomen. Het glas was eerder beneden en daarin kwam ik neer. Ik dacht dat ik verlamd was. Ik bewoog mijn tenen, toen draaide ik mijn voeten en heel voorzichtig stond ik op. Ik had niets. Ik belde Risette en zei: We gaan vanavond uit eten, om te vieren dat ik nog leef! De volgende dag pas werd ik helemaal stijf en bont en blauw.’

MJH, september 2005

 


Portret van Joke Groenendijk

Als Joke Groenendijk de voordeur opent, willen meteen twee miniuscule duizendpootjes mee naar binnen rennen. Voor de open tuindeuren met een kop thee vertelt Joke hoe zij tien jaar geleden bij meneer van der Pol haar hand liet lezen. Haar jongste dochter ging studeren in Antwerpen en er brak een nieuwe fase aan. Joke was toen drie en vijftig en werkte in die tijd niet. Ze vroeg zich af wat het leven verder voor haar in petto had. Ze zocht de oude Indische handlezer op, die op het Voorhout aan een tafeltje zat bij de antiek- en boekenmarkt. Hij adviseerde haar om zelf te leren handlezen. Hij gaf haar boeken mee en leidde haar op. ‘Drie maanden later zat ik naast hem op de paranormaal beurs. Ik heb ook op de Pasar Malam gezeten en aan het Voorhout.’

Inmiddels is Henk van de Pol overleden. Joke is nog steeds actief; ze heeft zich ook verdiept in Tarot en numerologie. ‘Ik voelde behoefte om mezelf verder te ontwikkelen en volgde cursussen esoterie, oftewel innerlijke leer, gebaseerd op de leer van grote leraren als Krishnamurti en Osho. Zij geven een filosofie hoe met het leven om te gaan. Ik voelde herkenning in die filosofie en in de meditaties die ik bijwoonde. Door mijn beleving van situaties te veranderen, kreeg ik meer ruimte en werd het leven draaglijker. De mens is nooit te oud om te leren, alleen moet je ervoor openstaan innerlijk te willen groeien.’

‘Ik was als kind ook al gevoelig, maar mijn ouders vonden dat ik niet zo indringend naar mensen moest kijken. Ik ging mijn ouders vertellen hoe mensen in elkaar zaten en dat accepteerden ze natuurlijk niet. Toen ben ik gaan spelen. Ik werd gewoon kind, net als alle anderen. Nu heb ik dat weer opgepakt en ben het gaan ontwikkelen. Technieken als handlezen, kaartleggen en numerologie krijgen hierdoor een perspectief dat verbonden is met de echte wijsheid van het leven. Want het geluk is niet met materie te verkrijgen, dat zit van binnen. Als je de wens hebt om innerlijk te groeien en je accepteert wat op je pad komt, dan komt het inzicht naar je toe. Maar wij zijn zo gewend om te oordelen.

Ik ben opgeleid als schoonheidspecialiste; toen ik achttien was, had ik alle diploma’s om me zelfstandig te kunnen vestigen.Toen ik mijn eerste kind kreeg, had ik een praktijk aan huis. Maar na twaalf jaar kwamen er grote veranderingen in mijn leven. In die tijd, nu 26 jaar geleden, ben ik hier in de buurt komen wonen; ik kreeg mijn tweede kind en ik ben de opleiding voor verpleegkundigen gaan doen. Ik werk nu een paar dagen per week in het ziekenhuis Bronovo op de poli; ik begeleid mensen die een medische behandeling ondergaan. Ik heb altijd de behoefte gehad om mensen te helpen, of dat nu in de persoonlijke verzorging was of in de geestelijke sfeer.

’s Morgens in de auto zie ik de zon door de bomen, dat is mijn meditatie en ’s avonds onder de douche spoelt alles wat ik meeneem in het putje, zo houd ik mijn ruimte schoon. Want de hele dag onder de mensen kost veel energie.
Ik houd van harmonie, maar ook van privacy. In deze buurt kun je helemaal jezelf zijn. In de jaren dat ik hier woon, heb ik de buurt zien veranderen. Het Burgemeester de Monchyplein is erbij gebouwd, er zijn heel andere mensen gekomen, de prijzen zijn omhoog gegaan en iedereen is zo aan het vertimmeren, alsof ze de eeuwigheid ermee in moeten.
Mijn man Hans heeft zich verdiept in grondwater. Als hij dat niet gedaan had en de gemeente en het bouwbedrijf hun gang waren gegaan, waren er nu een heleboel huizen verzakt. De paardenkastanjes op Plein 1813 zouden zijn doodgegaan door het zakken van het grondwater. We zijn samen actief geweest voor dat grondwater en ook bij de uitbreiding van Madurodam, met advocaat Rupert van Heijningen. We hebben folders laten drukken en in de bussen gestopt om de aandacht van de buurt daarop te richten.

Binnenkort ga ik een basiscursus Shiatsu doen. Ik ben nu zelf onder behandeling vanwege nek- en schouderklachten en dat helpt zo goed, dat ik me er zelf ook in wil gaan ontwikkelen.
Mijn dochter is bijna afgestudeerd en blijft in België; ze wil zich daar specialiseren.
En ik ben bijna vijf en zestig, dan loopt mijn contract in het ziekenhuis af. Ik ben benieuwd hoe mijn leven dan is. Als ik achter de geraniums kom te zitten, hoor ik bij de hangouderen. Maar ik kan me goed vermaken; als tiener maakte ik al mijn eigen kleding. En ik heb jaren aan de Vrije Academie geboetseerd en gebeeldhouwd, bij Rudy Rooyakkers en Jan Snoek. Dat ga ik misschien weer oppakken. Ik heb lang aan classic ballet gedaan. En ik heb pianoles, dat krijgt nu de meeste aandacht. Dat kun je zo laten liggen en er elk moment weer mee verder gaan’. Een grote zwarte vleugel vult de ruimte.
‘Het gaat natuurlijk niet zo snel, maar ik vind het erg fijn en ik heb een goede lerares’.

MJH, oktober 2005

 


Portret van Bert Huisman (Neef Bert)

‘Ja, dit huis stond te koop en ook het huis hiernaast. Dat andere is kleiner, daar wilde ik gaan wonen. Maar dat is verkocht, dus blijf ik hier wonen.Ik ga wat dingen veranderen, keuken en badkamer. Het huis is door Berlage gebouwd, je mag niet aan de originele structuur komen’.

Vanuit de hal overzien we een huiskamer, de trap naar boven, en de gang die uitkomt in een tuinkamer. Daar strijken we neer terwijl de grote bruine hond in de keuken blijft.’Ik begrijp niet dat mensen kiezen voor een huis in de Riouwstraat als je kunt kiezen voor een huis aan het Prinsenvinkenpark. Er komen geen auto’s voorbij, het is rustig en mooi. Ik woon al mijn hele leven aan het Prinsenvinkenpark, eerst op nummer 1, toen op nummer 32 en nu hier. In die andere huizen wonen mijn broer en mijn moeder. Mijn ouders zaten in Indonesië in de oorlog. Mijn vader was arts en zat in een kamp in Japan. In Nagasaki, hij heeft de atoombom meegemaakt. Hij was ongedeerd, maar later is hij gestorven aan alle kankers die je kon krijgen. Mijn moeder zat in een kamp op Java. Ze hebben allebei een deel Indisch bloed. Ik ben in Soerabaya geboren, maar ik weet er niets meer van, ik kwam als baby hierheen. Maar ik ben wel Indisch opgevoed. Er zaten iedere dag wel een paar vreemde mensen aan tafel, iedereen at altijd mee.
Je moet oppassen dat je geen zeur wordt, maar het was hier vroeger echt anders in de buurt. Van alles woonde hier door elkaar, kamerbewoners, muzikanten, kunstenaars en werklieden. Wij mochten niet spelen met kinderen uit de Malakkastraat, dat wel. Er waren grote verschillen, maar dat maakte de buurt zo levendig en actief. Nu komen er steeds meer dezelfde soort mensen, allemaal een 4 wheeldrive, allemaal elke ochtend een of twee kinderen naar dezelfde school brengen, niet met de fiets, nee met de auto.

Een paar dagen geleden stopte er hier een man met een landrover, om naar de verbouwing van een pand te kijken. Achterin zaten achter donkere ramen twee kinderen naar een video te kijken. Op weg van school naar huis! Ik vroeg me af: kijkt er nog wel eens een kind naar buiten?
Het gebouw van LTO dat hierachter staat, daar staan drie GSM-antennes op het dak. Daar wonen mensen met kinderen tegenover en die vinden dat geen probleem. Dat snap ik niet, ik heb zelf geen kinderen maar hun kinderen dragen de gevolgen van al die straling. Het gebouw is nu verkocht, er komen appartementen in. Ik zal me er wel mee gaan bemoeien, niet dat ik daar zin in heb, hoor. In het verleden heb ik ook voor de rechter gestaan om de neonreclame van dat dak te krijgen.Met de gemeente moet je een lange adem hebben. Dat hebben we ook gezien met die homo baan in het Scheveningse Bos’.

Bert is opgegroeid in de buurt, ging naar de kleuterschool in de Curaçaostraat, waar nu de bejaardenwoningen staan en later naar Nutsschool in Zorgvliet en het 1e VCL, voordat hij het onderwijs inging.
Steeds in een mooie omgeving verkeren, heeft dat invloed op je eigen gevoel voor esthetiek, je manier van kijken en je waardering van dingen?
‘Ja, maar ik heb ook wel veel geleerd van iemand als Ben van Os. Ik heb met hem op de filmset gewerkt van Peter Greenaway, kleding maken en aanpassen. Ben kon zeggen: kijk nou eens zo of hier en dan zag je echt iets anders. Ik heb ook nog bij een film van Eduardo Kosarensky gewerkt. Als kleermaker, maar ik had ook een rol; als je daar rondliep werd je meteen gecast en ingezet als ze je konden gebruiken’.
Op een foto staat hij als Arabische jongen met roze tulband om zijn hoofd samen met Willeke van Ammelrooy, met een kapiteinspet op. ‘Ik had een lantaarn en ik moest haar bijlichten op haar pad. Die filmwereld is bijzonder, je zit heel dicht op hoe je suggesties maakt met beelden.
Ik heb ook ooit in het Hot-theater als muzikant gewerkt in de musical Michiel de Fluiter, van de Haagsche Comedie.

Vanaf mijn twaalfde heb ik in bandjes gespeeld, piano, bas, gitaar.
Ik heb nog steeds een band, we spelen covers uit de sixties, dat is een feestband. Maar ik treed ook alleen op, ik ben een singer/songwriter. Meestal in kleine settings, galeries, openingen. Mijn hoogtepunten waren een optreden in de Melkweg met Hans Dulfer en in Griekenland op een bruiloft met BlÖf bij míj in het voorprogramma. Maandagavond speel ik in September aan de Grote Markt. Bij een evenement kwam een keer Joop van de Ende naar me toe. Hij zei:’Iedereen zegt jou gedag. Moet ik jou dan ook kennen?’ Ik zei : ‘Ja, ik ben gewoon neef Bert! Natuurlijk moet je mij kennen.’ Iedere artiest hoopt toch ooit ontdekt te worden. Op de site van de VPRO, ‘Drie voor twaalf’ noemde iemand mij laatst een grootheid! Dat is zo goed om te horen, het is typisch Indisch, dat je altijd denkt dat je niet goed bent. Maar op mijn 60ste wil ik toch wel beroemd zijn. Ik speel ook wel samen met Koos van de Exotenhof; die speelt bas, wist je dat?
In het koffiehuis hier bij het Scheveningse Bos komen veel muzikanten. Veel van hen klussen overdag en doen na het werk nog even een bakkie daar. Daar wordt over muziek gepraat! Wat zeg ik, geschreeuwd. Frank, de uitbater speelt zelf ook; hij studeert nu de fluitpartij van Nights in White Satin op de mondharmonica. Dat sfeertje, dat je hier vroeger in de wijk had, dat heb je daar nog. Daar komt nog steeds alles, iedereen door elkaar’.

MJH, januari 2006

Nagelaten bekentenis Portret van Bram Pols

Bram(50) is dertig jaar journalist. Hij schreef voor de dagbladen Trouw, NRC, de Haagsche Courant, reisde de wereld rond, specialiseerde zich op medisch wetenschappelijke onderwerpen en is een meester in het vertellen van anekdotes. Als hij vertelt is het alsof hij voorleest uit een boek, een combinatie van Oblomov, Hotel New Hampshire en De Baron van Munchhausen. Als jong verslaggever had hij al de reputatie dat waar je hem ook heen stuurde, hij sowieso met een prachtig verhaal erugkwam. Bram grinnikt. Mijn collega bij Trouw, Chris Bruinius, zei vroeger altijd: ‘ Als jij een verhaal gaat vertellen, begin ik eerst alvast de BTW eraf te trekken.’
Toen hij 18 jaar was, had Bram het zo bont gemaakt, dat zijn vader het beter vond dat hij het ouderlijk zou verlaten. Bram pakte de telefoon en belde een vriend. Die vriend vertelde dat er in de Bankastraat, op de hoek met de Billitonstraat een kamer vrij was. ‘ Daar woont mijn vriendin’ zei hij. ‘Je kunt gewoon op die kamer gaan zitten. De huisbaas komt heel af en toe langs om de huur op te halen.’ Bram laadde zijn spullen in de Renault 4 van zijn moeder en verhuisde naar de  Bankastraat. Van 1973 tot 1977 heb ik daar gewoond. Op nummer 78. Beneden was een fietsenmaker. Het was al een oud pand en het was door de kamerbewoners in nog slechtere staat gebracht. De huiseigenaar was een balletdanser, die in Amsterdam woonde. Hans heette hij. Hij kwam inderdaad af en toe om de huur op te halen. Ik had een kamer van twee bij twee, een soort bezemkast met een schuin dakraam. De muren waren van zachtboard. Je kon de buurman horen als hij zich in bed omdraaide. Op een dag kwam de huiseigenaar de trap op dansen. ‘ Wat doe jij hier!’ zong hij. Ik zei: ‘Ik woon hier’. Hij:
‘Oeps! En waarom weet ik dat niet?’ Ik : ‘Nou, dan weet je het nu’. Hij: ‘ En wat denkt het kind aan huur te gaan betalen?’
Ik moest 150 gulden per maand betalen. Niks overmaken, hij kwam het zelf halen. En als je niet thuis was, dan hoefde het niet. Ik heb, geloof ik, twee keer betaald. Want je begrijpt, als iemand zei: Hans komt vandaag! Dan was er natuurlijk niemand thuis.
Op de eerste etage was aan de straatkant een mooie grote kamer met glas in lood ramen. Daar woonde een piloot, die vrijwel nooit thuis was. Het verhaal ging dat de tachtiger Marcellus Emants het boek ‘Nagelaten Bekentenis’ op die kamer had geschreven.
Daarnaast woonde Ferry. Ferry ging elke avond naar het café, waar nu Zeldenrust zit. Hij reed na sluitingstijd met zijn Mazdaatje in de eerste versnelling op de startmotor naar huis. Hij keerde in de straat om en legde dan vooruit schokkend die honderd meter tot onze voordeur af. Het was meestal rond half drie als hij ladderzat de trap op kwam. Daar werd je wakker van. Twee treden omhoog, één omlaag. Op een nacht heb ik hem in zijn Mazda gehesen en naar de Bavokliniek in Noordwijk gereden. De nachtwaker zei dat ik hem zo niet kon achterlaten. ‘ Ik zal even iemand halen’ zei hij. Toen ben ik hem gesmeerd. De Mazda thuis voor de deur gezet, autosleutels onder de deur van zijn kamer geschoven. Ik heb Ferry toen in geen maanden gezien.

Op de kamer aan de achterkant woonde een verpleegster. Ze had een balkon boven de fietsenstalling. Daar zaten wij ’s zomers met zijn allen. In de keuken was het een chaos, niemand waste ooit af. Die vrouw heeft het zwaar gehad. Iedereen gebruikte haar kruiden. Als ze wilde koken, moest ze eerst afwassen. Ze is vertrokken. Toen heb ik die kamer genomen. Zo ging dat.
Aan de voorkant boven woonde Bob. Zijn vader sprak Frans en was dominee geweest in Algerije. Zijn moeder was Bruxelloise en tolk bij de rechtbank. Bob werkte bij de Slavenburg bank, ik geloof als econometrist. Die bank zat op de plek waar nu apotheek Nauta zit. Elke ochtend ging hij strak in het pak naar de bank. Maar het ging niet zo lekker met Slavenburg, zoals je weet en Bob liet zich in Frankrijk omscholen tot schaapherder. Daar zit hij nu nog; in de Pyreneeën.

Toen ik net in de Bankastraat woonde, vond ik een baantje om de hoek, op de Laan Copes van Cattenburch, als chauffeur bij de ambassadeur van de Filipijnen. Mister De La Rosa, oud bokskampioen. Hij was na een sportcarrière eerst naar Hollywood geweest om in B-films te acteren. Knappe vent, geweldig populair op de Filipijnen. Toen daar het vrouwenkiesrecht werd ingevoerd, deed hij een gooi naar het presidentschap, maar legde het af tegen Marcos, die hem aan het andere eind van de wereld op een ambassadeurspost parkeerde. Op dinsdag en donderdag gingen we golfen op de Haagsche Golf and Countryclub in Wassenaar.
Hij had af en toe onnavolgbare driftaanvallen, waarschijnlijk vanwege een hersenbeschadiging door het boksen. Dan ging ik bijvoorbeeld met hem naar de duinen of de Japanse tuin, daar werd hij kalm van.
Ik was dus achttien. Liep in een grijze broek, blauwe blazer, overhemd met geruite stropdas en haar tot op de schouders. Ik reed in een glimmende, donkerblauwe Mercedes. Ik verdiende niet veel, maar ik zat het grootste deel van de dag in een klein kabinetje de krant te lezen. Ik kon er dus gemakkelijk bij studeren. Ik deed industriële vormgeving in Delft en tekenen/schilderen op de Koninklijke in Den Haag. ’s Avonds ging ik naar de Vrije Academie, omdat ik in de Bankastraat geen ruimte had. Allemaal met de Mercedes.

Er woonden in de buurt veel repatrianten uit Indië. Die waren toen pas zo’n 20, 25 jaar hier. Meestal oudere mensen. Heel melancholiek soms. Zo iemand zei dan bij de slager, dat ze haar hele leven in Soerabaya had gewoond. Dan zei ik: ‘ Wat leuk, heeft u daar ook foto’s van?’ En voor je het wist, zat je op de thee. En dan zeiden ze steevast: ‘Je moet een keer komen eten.’ Ik had een hele reeks adressen waar ik Indisch kon eten.
Maar die mensen gingen op een gegeven moment naar een bejaardenhuis en toen druppelden de yuppies binnen. Je zag het gebeuren. Ze kochten de huizen en knapten ze op. De sfeer veranderde. Je kon het ook aan de winkels zien. Hans heeft ons het huis op nummer 78 ook nog aangeboden voor 28.000 gulden. Iedereen wees naar zijn hoofd.
Bij de mevrouw van de bakker had ik een paar keer gezegd dat ik jarig was. ‘ Ik krijg visite, maar ik heb bijna geen geld. Zou ik die mensen bijvoorbeeld ook een plakje suikerbrood kunnen voorzetten?’ Tien minuten later stond ze voor de deur met een doos met vier gebakjes. Tot ze me een keer vroeg hoe vaak ik eigenlijk jarig was.

Jam maakten we zelf. Van Pyrus Japonica, een soort kleine peertjes, die we plukten in het Scheveningse Bos. Dat kwam door Bob, hij was een natuurfreak. Hele middagen stonden we jam te maken.
Ik was de enige met een tv op de kamer. Om de haverklap begaf de zekering het. Volgens Bob kon je daarvoor ook een dikke schroef gebruiken. Dat werkte. Op een nacht lag ik in mijn bed toen de buren bij mij boksen zaten te kijken. Mohammed Ali tegen George Foreman, geloof ik. Op een gegeven moment zag ik een vuurrode gloed op de muur achter de tv. Dat was die schroef! Bob zei: ‘ Dit gaat niet goed!’ We renden de kamer uit en trokken de deur dicht. Een knal. We gooiden emmers water over de smeulende apparatuur. Ferry lag beneden, maar die merkte natuurlijk niets van het water dat door zijn plafond kwam.

De buurt was ongelooflijk tolerant. We hebben nooit problemen met buren gehad. De winkeliers kenden ons en waren heel aardig.
We hadden een keer met de stofzuiger een hoop aarde opgezogen, toen we in de kamer van de verpleegster per ongeluk een plant hadden omgegooid. De stofzuiger raakte verstopt. Iemand bedacht dat je de slang aan de andere kant in de stofzuiger kon steken, dan blies hij de aarde er weer uit. We hielden de slang gewoon uit het raam en wlop! Even later werd er gebeld. Een oudere meneer met een laag aarde in de rand van zijn hoed. ‘ Waar bent u in ’s hemelsnaam mee bezig? ‘ vroeg hij. Ik legde het uit. Vervolgens ging die man ons voordoen hoe je een stofzuigerslang netjes moest ontstoppen. Geen ruzie, niks!
Naast de fietsenmaker zat een delicatessenwinkel. Daar werd ’s morgens om vier uur een container voor de deur gezet, met melk en vla en Nieuw Zeelands mineraalwater. Er waren mensen die hun wekker zetten om die container te plunderen. Het begon natuurlijk met een pak melk, maar dat liep uit de hand. Ineens stond er een hele rij flessen Nieuw Zeelands mineraalwater bij iemand in een koelkast.

Het werd wel zo erg dat we zeiden: dit kan geen maand meer zo doorgaan. Toen de piloot weg was, werd die mooie voorkamer de gemeenschapsruimte. Daar werden feesten gegeven. Allerlei mensen hadden op den duur een sleutel. Er werden feesten gegeven door mensen die wij helemaal niet kenden. Bob was naar Frankrijk. Ferry kickte af in de Bavo en is overigens goed terecht gekomen. Ik vond een andere kamer in de Tasmanstraat en was inmiddels leerling-journalist bij de Haagsche Courant. Toen ik een paar jaar later door de Bankastraat reed stond er ineens een nieuwe flat op nummer 78.

Bram haalt een nieuwe mobiele telefoon uit de doos. Hij heeft zich zojuist ingeschreven bij de KvK en zich gevestigd als zelfstandige. Na 30 jaar voor dagbladen te hebben geschreven. De dagbladen hebben het zwaar, er zijn fusies, nieuwe concepten worden uitgeprobeerd, journalisten worden herplaatst. Het vertrouwen in een nieuwe krant is nihil. ‘We kregen een e-assesment,’ vertelt Bram. ‘Kom ik bij het psychologisch bureau, word ik ontvangen door een meisje, een stagiaire denk ik, dat me voorbereidt op een aantal testen. Ik vraag haar waar dat goed voor is. Zegt dat meisje: ‘ We gaan kijken of u geschikt bent voor de journalistiek’. Ik zeg: ‘ Mevrouw, ik ben dertig jaar journalist!’ Nou, ze had er ook alle vertrouwen in!

MJH, maart 2006