Betreft zienswijze ontwerp-bestemmingsplan Archipelbuurt e.o.

Aan de gemeenteraad

Postbus 19 157

2500 CD Den Haag

De bewonersorganisatie Archipel/Willemspark wil beginnen haar tevredenheid uit te spreken over de verbeteringen die in het ontwerp plan zijn aangebracht ten opzichte van de versie, die in het artikel 3.1. Bro-overleg werd voorgelegd. Aan een groot deel van de bezwaren van de bewonersorganisatie is tegemoet gekomen. Het plan biedt aanzienlijk meer mogelijkheden het karakter van de wijk te behouden dan de eerste versie. De mogelijkheden tot verdichting van bebouwing en bewoning zijn beperkt. De gemeente heeft ingezien dat dit in het belang van de wijk en de stad is. Dat waarderen wij zeer. Wij voegen nog enige opmerkingen toe, die te maken hebben met het aspect “verdichting”.

Uit de plantoelichting en de plankaart blijkt dat deze niet worden toegestaan, behalve in een deel van de Sumatrastraat. Met de expliciete uitsluiting van de mogelijkheid een dakopbouw te plaatsen, en de daarvoor gegeven motivering, zijn wij het geheel eens. Dit is belangrijk voor het behoud van het aanzien van de wijk, vermindert de kans op aankoop door huisjesmelkers en bevordert dat de panden beschikbaar blijven als eengezinswoning, een woningsoort waar – zoals wij eerder schreven- de gemeente zuinig op moet zijn. Dakopbouwen laat het ontwerp plan wel toe boven Sumatrastraat 3 t/m 17 (bedoeld zal zijn 25), 27 t/m 35 en 45 t/m 85.

Het gaat hier om twee blokjes portiekwoningen uit de twintiger of dertiger jaren in drie bouwlagen aan weerszijden van een nieuwer appartementsgebouw in vier bouwlagen, waarboven al een dakopbouw is geplaatst. Dat gebouw laat goed zien dat het niet wenselijk is de bebouwing aan weerszijden op te hogen, omdat dan de kleinschaligheid, die kenmerkend is voor de Sumatrastraat, verloren gaat. Een dakopbouw verstoort bovendien de bestaande symmetrie. De dakopbouw kan alleen aan de bovenste woning ten goede komen. Het huisvestingsbelang is beperkt. Wij pleiten er daarom voor ook deze laatste mogelijkheid tot het oprichten van dakopbouwen in het plangebied te laten vervallen.

De bewonersorganisatie is blij dat het college het terugdringen van de verkantorisering van de oorspronkelijke woonpanden en de samenvoeging van die panden en van in het verleden gesplitste woonhuizen tot één woning beoordeelt als een positieve ontwikkeling, die moet worden voortgezet (toelichting blz. 88). De mogelijkheid tot woningsplitsing is in het ontwerp plan dan ook terecht beperkt, en wel door planregels die de bewonersorganisatie heeft voorgesteld. Zie artikel 21.5.1 “Het is verboden een bestaande woning te splitsen tot twee of meer zelfstandige woningen.” Hier stellen wij nu een verbetering voor. Het begrip “bestaande woning” is te beperkt en kan tot discussie leiden. Onder de bestemming “Wonen-1” vallen niet alleen bestaande woningen maar ook als kantoor en ambassade gebruikte panden, bijvoorbeeld in de Surinamestraat). Het is van belang dat die gebouwen ook komen te vallen onder de splitsingsregeling. Daarom stellen wij bij nader inzien voor in artikel 21.5 .1 te bepalen: “Het is verboden een bestaand gebouw te splitsen tot twee of meer zelfstandige woningen.” en in artikel 21.5.2, onder a,1: “dat het gebouw bestaat uit tenminste drie bouwlagen.”

Deze aanpassing geldt ook voor artikel 23.3, bij de bestemming “Wonen-3”.

Volledigheidshalve merken wij nog op, dat een bouwlaag in artikel 1.26 is gedefinieerd als “een doorlopend gedeelte van een gebouw (…), zulks met uitsluiting van een onderbouw, kap of kapverdieping.” De voorwaarde dat het gebouw niet mag worden gesplitst als het niet tenminste drie volledige bouwlagen telt, kap en souterrain niet meegerekend, is een voor ons belangrijke beperking van de splitsingsmogelijkheid, die er toe strekt de panden die zich daarvoor lenen beschikbaar te houden als eengezinswoning. Wij hebben niet voorgesteld het splitsingsverbod ook te laten gelden voor de bestemmingen “Gemengd-1,-2, -3 en -4”, omdat wij ons kunnen voorstellen dat daardoor de gebruiksmogelijkheden van deze grote panden te zeer worden beperkt. Wij zijn er natuurlijk geheel mee eens, dat in de planregels wel is bepaald dat bij gebruik voor wonen een woning minimaal een bouwlaag dient te beslaan (artikelen 4.5, 5.5, 6.5 en 7.5).

Aan-en bijgebouwen.

Gelet op de landelijke regeling met betrekking tot vrijstelling van vergunningplicht zijn in het ontwerp plan geen regels met betrekking tot bijgebouwen opgenomen. Hiertegen hebben wij geen bezwaar. Het is goed dat de mogelijkheden tot het oprichten van aan- en bijgebouwen die in de eerste versie van het bestemmingsplan was opgenomen, is vervallen. De landelijke vrijstelling van vergunningplicht geldt alleen voor bouwen op het achtererf en niet op terrein dat een andere bestemming heeft. De bewonersorganisatie is er daarom blij mee, dat in het ontwerp plan bij de bestemming “Wonen-1” niet het hele perceel als erf is bestemd, maar aan het achterste deel de bestemming “Tuin” is gegeven, waar het oprichten van bebouwing niet is toegestaan. Dit maakt het mogelijk nog een beetje licht en lucht tussen de bouwblokken te behouden.

Dit is een duidelijke verbetering ten opzichte van de eerste versie van het plan. Maar het kan in onze ogen nog beter. Op de plankaart is te zien dat de bouwvlakken ruim om de bestaande bebouwing zijn getrokken. Binnen het bouwvlak kan een pand in beginsel over de volle bouwhoogte naar achteren worden uitgebreid. Als daarachter binnen de strook achtererf nog de bebouwing verrijst die landelijk vergunningvrij is toegestaan, ontstaat een onwenselijke verdichting van de bebouwing. Wij zouden graag zien dat de bestemming “Tuin” dichter bij de bouwvlakken wordt gelegd, bij voorkeur zelfs meteen achter het bouwvlak. De strook achtererf in bijvoorbeeld de Surinamestraat lijkt ons in ieder geval veel te breed. Bij de bestemmingen “GD-3 ” en ”GD-4” is alleen aan de noordoostzijde van het Nassauplein de bestemming “Tuin” op de percelen gelegd. Wij zouden graag zien dat deze bestemming ook op de Koninginnegracht en de Laan Copes van Catttenburch aan het achtererf wordt gegeven. Dit kan helpen verdere verharding van deze terreinen te voorkomen.

De bebouwing in Archipel en Willemspark staat vaak heel dicht op elkaar. De landelijke vrijstelling is voor dit plangebied dan ook veel te ruim. Wij hopen dat het gemeentebestuur zich daarvan rekenschap zal geven als in de toekomst het vergunningenbeleid voor het achtererf binnen rijksbeschermde stadsgezichten weer wordt gedecentraliseerd. In onze dichtbebouwde wijk is het in het belang van het leefklimaat niet verantwoord grotere aan- en bijgebouwen toe te staan dan het oude bestemmingsplan mogelijk maakte.

Andere opmerkingen

Wij hebben de indruk dat her en der zijn in het plangebied gebouwen positief zijn bestemd die met tijdelijke vrijstelling zijn gebouwd (artikel 17 Wro). Dat vinden wij niet wenselijk.Een voorbeeld is de bouwkeet bij het Hubertusviaduct, achter de Algemene Begraafplaats, op grond met de bestemming “Groen”. Artikel 8.2.1 van de planregels bepaalt dat gebouwen die aanwezig waren op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp plan mogen worden gehandhaafd of vernieuwd. Dat betekent dat de bouwkeet, waarvoor minstens 10 jaar geleden een tijdelijke vrijstelling is verleend, voor onbepaalde tijd mag worden gehandhaafd en zelfs vernieuwd. Dat lijkt ons niet juist.

De overgangsregel in artikel 8 (Groen) is bovendien ruimer dan die in artikel 15 (Tuin), waarin alleen gebouwen die legaal zijn opgericht, mogen worden gehandhaafd of vernieuwd. De term “legaal” in artikel 15 kan overigens leiden tot misverstand. Een bouwwerk dat is gebouwd met een tijdelijke vrijstelling is na afloop van de termijn niet meer legaal. Meer algemeen vragen wij ons af of het verstandig is in de planregels bij de afzonderlijke bestemmingen overgangsrecht op te nemen, naast het algemene overgangsrecht van artikel 32. Uit een oogpunt van systematiek en rechtszekerheid lijkt het beter met artikel 32 te volstaan.

Details

In artikel 23.1 moet “Wonen-1”worden vervangen door “Wonen-3”. In artikel 27.2, onder f moet “dient” worden gewijzigd in “dienen”. Op de plankaart zijn op bepaalde plaatsen zoveel aanduidingen over elkaar opgenomen, dat die niet meer te lezen zijn. Bijvoorbeeld in de Balistraat, Bankastraat en aan het eind van de Malakkastraat. Hier zou een uitvergroting op de verbeelding duidelijkheid kunnen bieden.

Conclusie

Met dit bestemmingplan, aangepast op de hierboven genoemde punten , heeft het gemeentebestuur een instrument in handen waarmee de waarden en karakteristieken van het stadsgezicht kunnen worden behouden. Veel zal afhangen van de manier waarop de toetsing plaatsvindt, die is voorgeschreven op grond van de dubbelbestemming “Waarde-Cultuurhistorie”(artikel 27), die geldt voor het hele plangebied. Wij kunnen alleen maar de hoop uitspreken dat de monumentencommissie en de verantwoordelijke wethouder bouwplannen zullen beoordelen met historisch besef en een streven dat niet is gericht op contrast maar op harmonie met de omgeving.

Mr. P.A. Offers, voorzitter

Mr. C.C. Dedel-van Walbeek, bestuurslid

CJP 21 juli 2014