Verschil moet er zijn

Verslag lezing Henk Schmal.

Op 1 november ’03 werd ik met zo’n 35 buurtgenoten in de Vredeskapel welkom geheten door de heer Vos van de Bewonersorganisatie. Deze wilde nieuwe en oude buurtbewoners kennis laten maken met de 19e eeuwse Haagse stadsuitleg in het algemeen en de plaats daarin van Archipel en Willemspark in het bijzonder.
Dit werd toevertrouwd aan de heer Henk Schmal, docent aan de Universiteit van Amsterdam en sociaal geograaf. En zeer gekwalificeerd voor dit onderwerp, gezien zijn proefschrift over de Haagse stadsuitleg. In zijn verhaal stond de tegenstelling tussen zand en veen centraal. Al rond 1580 was het hofkwartier rond het jachtslot en dicht bij het zandige Haagse Bos te onderscheiden van het ‘dorp’, aan de andere kant van de huidige Parkweg, grotendeels op veengrond. Na 1850 was er steeds meer behoefte aan extra huizen voor de groeiende bevolking en werd er systematisch via grootschalige projecten aan stadsuitleg gewerkt.

Archipelbuurt
De Archipelbuurt was daarvan het eerste voorbeeld. Met de nieuwe huizen was het de bedoeling om vermogende lieden binnen te halen. Zowel tussen Den Haag en Scheveningen als tussen Den Haag en de Vliet werden uitbreidingen gerealiseerd. Dure en mooie huizen aan Oranjeplein en Huijgenspark moesten ook aan de ‘veenkant’ zorgen voor welgestelde bewoners. Maar deze, veelal rijk geworden in Indië, hadden toch een voorkeur voor het gezondere zand als ondergrond. Hierop gebouwde huizen waren droger, men was er niet bevattelijk voor malaria en andere ziektes. De grote huizen aan het Oranjeplein werden gesplitst en aan eenvoudiger lieden verkocht of verhuurd.
Rond 1870 woonden er al 1.000 mensen in wat nu de Archipelbuurt is (er stonden toen alleen nog maar enkele hofjes). In 1880 al 3.500 en in 1890 zo’n 8.000 (vergelijk nu: 7.000). Veel hoofdbewoners zonder beroep en niet van Haagse origine. Het rechthoekige stratenpatroon had dezelfde structuur als de daarvoor op deze plek gelegen moestuinen.

Willemspark
Het Willemspark had in 1880 zo’n 4.000 inwoners, nu geslonken tot 1.500. De riante villa’s in het voormalige koninklijke park werden bewoond door hoge ambtenaren, hovelingen, of burgemeester. Daarnaast weer veel mensen zonder beroep, ofwel renteniers. De neogotische stijl was toentertijd vooral in Engeland populair, en vond in koning Willem II een warm pleitbezorger. Hij sloeg zelf aan het ontwerpen, maar de gebouwen waren niet erg degelijk. Van de lange gevelrij in deze stijl vanaf het Noordeinde (de Gotische zaal rest er nog) tot aan de huidige Nassaulaan is alleen de Willemskerk plus aanbouwen nog over. Eerst was dit gebouw manege (aan de stadsrand gelegen), toen kerkgebouw, tenslotte kantoor van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Een ontwikkeling die in zekere zin tekenend is voor de functies in de wijk.

Duinoord en Belgisch Park
Nieuwe buurten als Duinoord en Belgisch Park streden ondertussen om de gunst van de uit Indië terugkerende of met verlof zijnde nieuwe Hagenaars. Het voordeel van ‘op zand gebouwd’ werd door de projectontwikkelaars breed uitgemeten. Ook over een school voor middelbaar onderwijs werd gestreden. Dit was immers een statusverhogend object voor een wijk. Zand (Duinoord) won van veen (Bezuidenhout) en kreeg het Gymnasium Haganum.
Later ontstonden de typisch Haagse woonflats, met luxe appartementen en veel gemeenschappelijke voorzieningen (bv. hoek Zeestraat-Javastraat).
Veel oude stadsgezichten en kaarten illustreerden het verhaal van de heer Schmal, die hoewel geboren Rijswijker toch een warm applaus kreeg van de chauvinistische zandbewoners.
Daarna was het met een door de Bewonersorganisatie aangeboden glas en hapje nog goed napraten. Alleen al in de Monchy-flats zijn er de laatste tijd zo’n 1000 nieuwe Archipellers bij gekomen. Jammer dat ze er niet allemaal waren om wat aan hun inburgering te doen.

M.O.
(uit: A/W krant december 2003)

Toelichting voor belangstellenden
Titel proefschrift van Henk Schmal: Den Haag of ‘s-Gravenhage?
De 19de-eeuwse gordel, een zone gemodelleerd door zand en veen
Uitgeverij Matrijs 1995, ISBN 90-5345-071-8 (uitverkocht)

Eind 19de eeuw was voor iedereen duidelijk dat de residentie uit twee werelden bestond: het chique ‘ ‘s-Gravenhage’, waar de aristocraten, industriëlen, hoge ambtenaren en militairen woonden; en het totaal afgezonderde ‘Den Haag’ van de middenstanders en arbeiders.
Sociaal geograaf Henk Schmal laat in dit boek zien dat de residentie een unieke ruimtelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt. Bij de aanleg van de 19de-eeuwse wijken liet men zich sterk leiden door het onderscheid tussen zand- en veengrond: de ‘zandzijde’ bleek aantrekkelijk als woongebied voor meer vermogenden, de ‘veenzijde’ voor industriële activiteiten en de huisvesting van arbeiders.
Tussen 1900 en 1940 veranderde het karakter van de 19de-eeuwse gordel. Dit boek laat zien dat die verandering per wijk verschilde. Enkele case-studies over individuele straten of delen daarvan (Atjehstraat, Bankastraat, Heemskerckstraat, Hobbemastraat, Kemperstraat en Weimarstraat) laten zien dat de ontwikkelingen van straat tot straat anders konden zijn. Woonhuizen werden winkel of kantoor, of kregen totaal anderssoortige bewoners.
Maar het grote onderscheid bleef bestaan: het onderscheid tussen Den Haag en ‘s-Gravenhage.